wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voeding en vertering

Total questions: 68

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een voedingsmiddel?

a)

Een stof die je lichaam nodig heeft voor energie, groei of herstel

b)

Een product dat men eet of drinkt

c)

Een voedingsstof die energie levert

d)

Een voedingsstof die wordt gebruikt bij de vorming van cellen en weefsels

2.

Wat is een bouwstof?

a)

Een stof die je lichaam nodig heeft voor energie, groei of herstel

b)

Een product dat men eet of drinkt

c)

Een voedingsstof die energie levert

d)

Een voedingsstof die wordt gebruikt bij de vorming van cellen en weefsels

3.

Wat is een vet?

a)

Een voedingsstof die voornamelijk dient als bouwstof, maar ook als brandstof en reservestof kan dienen

b)

Een voedingsstof die vooral dient als brandstof, maar ook als bouwstof en reservestof kan dienen

c)

Een voedingsstof die dient als bouwstof en die nodig is voor het vervoer van stoffen in je lichaam

d)

Een voedingsstof die dient als bouwstof en beschermende stof

4.

Wat is de functie van de slokdarm?

a)

Het afbreken van grotere voedingsstoffen tot kleinere verteringproducten

b)

Het verplaatsen van voedsel van de keelholte naar de maag

c)

Het tijdelijk opslaan van voedsel

d)

Het produceren van maagsap

5.

Wat is de functie van de lever?

a)

Het produceren van gal

b)

Het vermengen van voedselbrij met gal en alvleessap

c)

Het afbreken van grotere voedingsstoffen tot kleinere verteringproducten

d)

Het opnemen van verteringsproducten in het bloed

6.

Wat is de functie van de dikke darm?

a)

Het afbreken van grotere voedingsstoffen tot kleinere verteringproducten

b)

Het vermengen van voedselbrij met gal en alvleessap

c)

Het opnemen van verteringsproducten in het bloed

d)

Het opnemen van water uit de brij van onverteerde voedselresten

7.

Wat is overgewicht?

a)

Te hoog lichaamsgewicht, waarbij er te veel vet in het lichaam is opgeslagen

b)

Te laag lichaamsgewicht

c)

Te weinig energie of voedingsstoffen binnenkrijgen

d)

Een stoornis waarbij iemand constant in het hoofd bezig is met eten en de invloed daarvan op het lichaam

8.

Wat is de functie van een conserveermiddel?

a)

Het verdelen van grote vetdruppels in kleinere vetdruppels

b)

Het behandelen van voedsel zodat het niet bederft

c)

Het toevoegen van kleur aan voedingsmiddelen

d)

Het toevoegen van geur aan voedingsmiddelen

9.

Wat is een herbivoor?

a)

Een zoogdier dat alleen planten eet

b)

Een zoogdier dat alleen dieren eet

c)

Een zoogdier dat planten en dieren eet

d)

Een kies van een planteneter met harde richels om voedsel fijn te malen

10.

Wat is een knipkies?

a)

Een kies van een planteneter met harde richels om voedsel fijn te malen

b)

Een kies van een vleeseter met scherpe randen om het voedsel in stukken te knippen

c)

Een kies van een alleseter met een knobbelig oppervlak om het voedsel fijn te malen

d)

Een kies van een alleseter met een knobbelig oppervlak om het voedsel fijn te malen

11.

Wat is de functie van de dunne darm?

a)

Het afbreken van grotere voedingsstoffen tot kleinere verteringproducten

b)

Het verplaatsen van voedsel van de keelholte naar de maag

c)

Het tijdelijk opslaan van voedsel

d)

Het produceren van maagsap

12.

Wat is een koolhydraat?

a)

Een voedingsstof die voornamelijk dient als bouwstof, maar ook als brandstof en reservestof kan dienen

b)

Een voedingsstof die vooral dient als brandstof, maar ook als bouwstof en reservestof kan dienen

c)

Een voedingsstof die dient als bouwstof en die nodig is voor het vervoer van stoffen in je lichaam

d)

Een voedingsstof die dient als bouwstof en beschermende stof

13.

Wat is een carnivoor?

a)

Een zoogdier dat alleen planten eet

b)

Een zoogdier dat alleen dieren eet

c)

Een zoogdier dat planten en dieren eet

d)

Een kies van een planteneter met harde richels om voedsel fijn te malen

14.
Alle producten die je eet of drinkt noem je
a)
Voedingsproducten
b)
Voedsel
c)
Voedingsmiddelen
15.
De functie van voedingsvezels is het bevorderen van de darmperistaltiek
a)
Juist
b)
Onjuist
16.
Dit is een 
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
17.

In elk voedingsmiddel zitten...

a)

mineralen

b)

voedongsvezels

c)

Voedingsstoffen

d)

vetten

18.

Bruin brood, groente en fruit bevatten...

a)

Voedingsvezels

b)

Lekkere sappen

c)

Voedingsmiddel

19.

Een ei hoort bij ........................voedingsmiddelen

a)

plantaardige

b)

dierlijke

20.

Welke voedingsmiddelen zijn beter voor de goede werking van de darmen?

a)

plantaardige

b)

dierlijke

21.
Wat is brood?
a)
Een plantaardig voedingsmiddel
b)
Een dierlijk voedingsmiddel
22.
Wat is karnemelk?
a)
Een plantaardig voedingsmiddel
b)
Een dierlijk voedingsmiddel
23.

Wat is geen voedingsmiddel?

a)

Aardappel

b)

Ei

c)

Banaan

d)

Zetmeel

24.

Welke zin over voedingsvezels is juist

a)

voedingsvezels kunnen niet worden verteerd

b)

Voedingsvezels zorgen voor energie

c)

Voedingsvezels zorgen voor bouwstoffen

d)

Voedingsvezels is een voedingstof

25.

Deze voedingsstoffen zijn nodig voor de groei en ontwikkeling van je lichaam

a)

beschermende stoffen

b)

brandstoffen

c)

bouwstoffen

d)

reservestoffen

26.

Deze voedingsstoffen leveren energie

a)

beschermende stoffen

b)

brandstoffen

c)

bouwstoffen

d)

reservestoffen

27.

Deze voedingsstoffen worden opgeslagen in bepaalde delen van je lichaam

a)

beschermende stoffen

b)

brandstoffen

c)

bouwstoffen

d)

reservestoffen

28.

Deze voedingsstoffen zorgen ervoor dat je niet vaak ziek bent

a)

bouwstoffen

b)

brandstoffen

c)

reservestoffen

d)

beschermende stoffen

29.
In het vak van vlees, vis en zuivel  zit(ten) veel
a)
vetten
b)
zetmeel
c)
voedingsvezel
d)
eiwitten
30.
Het vocht uit het vak met drinken is vooral voor
a)
bouwstoffen
b)
brandstoffen
c)
goede darmwerking
d)
de smaak van je eten
31.

Welke groepen van voedingsstoffen zijn er?

a)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten en vitaminen

b)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, mineralen, water en vitaminen

c)

Eiwitten, vetten, mineralen, zouten, water en vitaminen

d)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten, mineralen, water en vitaminen

32.

Zitten in groente en fruit veel voedingsvezels?

a)

ja

b)

nee

33.

Dit wordt gemaakt in de lever en niet in de galblaas

a)

speeksel

b)

alvleessap

c)

gal

d)

maagsap

34.

Nummer 2 is de

a)

maag

b)

lever

c)

dikke darm

d)

slokdarm

35.

Nummer 7 is de

a)

maag

b)

dunne darm

c)

lever

d)

alvleesklier

36.

nummer 9 is de

a)

slokdarn

b)

twaalfvingerige darm

c)

dunne darm

d)

dikke darm

37.

Nummer 11 is de

a)

slokdarm

b)

twaalfvingerige darm

c)

dunne darm

d)

dikke darm

38.

verteerde voedingsstoffen worden opgenomen in het bloed in nummer

a)

2

b)

3

c)

11

d)

9

39.

de galblaas is nummer

a)

7

b)

8

c)

6

d)

10

40.

Deze voedingsstoffen moeten wel verteerd worden

a)

mineralen water en vet

b)

eiwitten vet en vitamines

c)

eiwitten vet en koolhydraten

d)

koolhydraten eiwitten en water

41.

De wand van de dunne darm bestaat uit darmvlokken en

a)

darmlippen

b)

darmplooien

c)

darmvliezen

d)

darmpjes

42.

Het laatste stukje darm

a)

slokdarm

b)

dunne darm

c)

endeldarm

d)

dikke darm

43.

Deze voedingsstoffen hoeven niet verteerd te worden

a)

eiwitten, vetten en koolhydraten

b)

glucose, water, vetten en koolhydraten

c)

glucose, water, mineralen en vitamines

d)

eiwitten, vetten, mineralen en vitamines

44.

Wat zijn enzymen?

a)

zij versnellen scheikundige reacties in het lichaam en zorgen voor een snellere afbraak van voedingsstoffen

b)

veteringssappen

c)

ziekteverwekkers

d)

zij zorgen voor een scheikundige reactie in het lichaam en zorgen voor een langzame afbraak van voedingsstoffen

45.

Joyce zegt dat een van de functies van de darmperistaltiek het verplaatsen van de voedselbrij is.

Susanne zegt dat een van de functies van de darmperistaltiek het mengen van de voedselbrij met verteringssappen is.

Wie heeft (hebben) gelijk?

a)

Alleen Susanne heeft gelijk.

b)

Alleen Joyce heeft gelijk.

c)

Joyce en Susanne hebben geen van beiden gelijk.

d)

Joyce en Susanne hebben allebei gelijk.

46.

In het verteringsstelsel van de mens gebeurt onder andere het volgende:

1 er worden bacteriën gedood;

2 er worden vetten verteerd;

3 er wordt voedsel tijdelijk opgeslagen.

Welke van deze gebeurtenissen vinden plaats in de maag?

a)

1, 2 en 3

b)

Alleen 1 en 2.

c)

Alleen 2 en 3.

d)

Alleen 1 en 3.

47.

Ons voedsel kan onder andere eiwitten, mineralen en vitamines bevatten.

Welke van deze stoffen worden verteerd?

a)

Eiwitten, mineralen en vitamines.

b)

Alleen mineralen en vitamines.

c)

Alleen eiwitten en vitamines.

d)

Alleen eiwitten.

48.

Tot welke groep voedingsstoffen behoort zetmeel?

a)

Tot de vitamines.

b)

Tot de eiwitten.

c)

Tot de mineralen.

d)

Tot de koolhydraten.

49.

Kleine kinderen in ontwikkelingslanden hebben soms opgezwollen buikjes.

Door een tekort aan welke voedingsstoffen in het voedsel kan dit zijn veroorzaakt?

a)

Door een tekort aan koolhydraten.

b)

Door een tekort aan eiwitten.

50.

Waarvoor worden bouwstoffen in je lichaam gebruikt?

a)

Voor groei, ontwikkeling en herstel

b)

Voor de levering van energie

51.

Drie methoden om voedselbederf door bacteriën en schimmels tegen te gaan, zijn invriezen, pasteuriseren en steriliseren.

Bij welke van deze methoden kan voedsel het langst houdbaar worden gemaakt?

a)

invriezen

b)

pasteuriseren

c)

steriliseren

52.

In de afbeelding is het verband tussen de zuurgraad en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Wat is de optimum-pH voor dit enzym?

a)

pH van 0

b)

pH van 2

c)

pH van 3,5

53.

In de afbeelding is het verband tussen de temperatuur en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Wat is de optimumtemperatuur?

a)

10 graden

b)

35 graden

c)

50 graden

54.

In de afbeelding is het verband tussen de temperatuur en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Bij welke temperaturen is dit enzym tijdelijk onwerkzaam?

a)

Alleen bij temperaturen onder de 10 graden

b)

Alleen bij temperaturen onder de 35 graden

c)

Alleen bij temperaturen boven de 50 graden

d)

zowel bij temperaturen onder de 10 graden als bij temperaturen boven de 50 graden.

55.

Elk jaar lopen zo’n 680 000 mensen in Nederland een voedselvergiftiging op. Dit wordt meestal veroorzaakt door het eten van bedorven voedsel en kan leiden tot koorts, diarree, braken en buikpijn.

Wanneer is de kans op voedselbederf het grootst: in de winter of in de zomer?

a)

in de zomer

b)

in de winter

56.

In een proef wordt uit een liter melk yoghurt gemaakt.

Neemt de hoeveelheid energierijke stoffen in de melk in de loop van deze proef af, blijft deze gelijk of neemt deze toe?

a)

neemt toe

b)

blijft gelijk

c)

neemt af

57.

Kikkers zijn amfibieën. Hun spijsverteringsstelsel vertoont echter veel overeenkomst met dat van een zoogdier. In de afbeelding zie je organen in het lichaam van een kikker.

Welke letter geeft de lever aan?

a)

Q

b)

R

c)

S

d)

T

58.

In de mondholte wordt het voedsel door het gebit in kleine stukjes verdeeld.

Wat is daarvan de functie voor het verteren van het voedsel?

a)

Hierdoor kan het voedsel beter door de darm worden verplaatst.

b)

Hierdoor kunnen enzymen beter op het voedsel inwerken.

c)

Hierdoor zit je minder snel vol en kun je meer eten.

59.

Een wezel (zie de afbeelding) heeft scherpe, puntige kiezen en een kort darmkanaal in verhouding tot zijn lichaamslengte.

Zijn de puntige kiezen een aanwijzing dat wezels vleeseters zijn? En het korte darmkanaal?

a)

alleen de scherpe puntige kiezen

b)

alleen het korte darmkanaal

c)

zowel de scherpe puntige kiezen als het korte darmkanaal

60.

In de afbeelding zie je een mantelbaviaan en de schedel van dit dier.

Is een mantelbaviaan een carnivoor, een herbivoor of een omnivoor?

a)

carnivoor

b)

herbivoor

c)

omnivoor

61.

Sabeltandtijgers zijn uitgestorven roofdieren. In de afbeelding is een schedel van de grootste soort sabeltandtijger getekend. Uit de schedel van dit uitgestorven dier is de vorm van de buik af te leiden.

Welke vorm had de buik van een sabeltandtijger?

a)

de buik is dik

b)

de buik is recht

c)

de buik is slank

62.

Tandplak bestaat uit bacteriën, etensresten en speeksel.

a)

juist

b)

onjuist

63.

Het voedsel dat een organisme eet, bepaalt zijn gebit. Vleeseters hebben ... om het eten te vermalen.

a)

knipkiezen

b)

plooikiezen

c)

knobbelkiezen

64.

Het voedsel dat een organisme eet, bepaalt zijn gebit. Planteneters hebben ... om het eten te vermalen.

a)

knipkiezen

b)

plooikiezen

c)

knobbelkiezen

65.

Als je je eten wilt doorslikken, werken de volgende 2 organen samen...

a)

strottenhoofd en keelholte

b)

huig en strottenhoofd

c)

strottenklepje en huig

d)

keelholte en mondholte

66.

Je ziet hier een afbeelding van een kies. Wat is nummer 3?

a)

tandholte

b)

tandbeen

c)

glazuur

d)

cement

67.

Je ziet hier een afbeelding van een kies. Wat is nummer 4?

a)

tandholte

b)

tandbeen

c)

glazuur

d)

cement

68.

Een goed gebit is belangrijk want ...

a)

zo kan je het eten goed proeven, is goed voor de spijsvertering

b)

zo kan je het eten goed vermalen, is goed voor de spijsvertering

c)

zo kan je het eten goed vermalen en vermengen met speeksel, is goed voor de spijsvertering