wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 5 H12 Afweer

Total questions: 66

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.

Lichaamsvreemde stoffen noem je ook wel..

a)

antibiotica

b)

antigenen

c)

antistoffen

d)

anticonceptie

e)

antigif

2.

Maarten heeft als klein kind de bof gehad, waardoor hij deze ziekte niet nog een keer zal oplopen.

===> Dit is een kunstmatige vorm van immuniteit.

a)

Waar

b)

Nietwaar

3.

Als je naar Afrika op vakantie gaat laat je je inenten tegen Hepatis A.

===> Dit is een kunstmatige vorm van immuniteit.

a)

Waar

b)

Niet waar

4.

Sinds 1987 worden kinderen in Nederland ingeënt tegen bof, mazelen en rode hond. Het vaccin wordt het BMR-vaccin genoemd. Bevat het BMR-vaccin antigenen? En bevat het antistoffen?

a)

Alleen antigenen

b)

Alleen antistoffen

c)

zowel antistoffen als antigenen

d)

geen van beide

5.


Wat is een ander woord voor een injectie met verzwakte ziekteverwekkers.

a)

fascinatie

b)

serum

c)

entering

d)

vaccinatie

6.

Verschillende ziekteverwekkers bevatten dezelfde lichaamsvreemde stoffen.

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

Bekijk de afbeelding rechts. Wat wordt er aangegeven met nr 3?

a)

Ziekteverwekker

b)

Antigeen

c)

antistof

8.

Gele koorts is een ziekte die wordt veroorzaakt door een virus. Na een infectie met het gele koortsvirus duurt het ongeveer een week voordat het lichaam een antistof tegen het virus gaat maken. Als de patiënt geneest, levert dat een levenslange immuniteit op. In het diagram van de afbeelding geeft grafieklijn Q de vorming van antistof tegen het virus weer na een allereerste infectie van een bepaalde persoon. Deze persoon geneest en wordt een jaar later opnieuw besmet.

Welke grafieklijn geeft de vorming van antistof weer na deze tweede infectie?

a)

Grafiek P

b)

Grafiek Q

c)

Grafiek S

9.

Welke bloedcellen spelen een belangrijke rol binnen ons afweersysteem tegen ziekteverwekkers?

a)

Rode bloedcellen

b)

Witte bloedcellen

c)

bloedplaatjes

d)

bloedplasma

10.

Kunstmatige immuniteit is...

a)

...als je een vaccin toegediend krijgt

b)

...als je witte bloedcellen ingespoten krijgt

c)

...als jouw lichaam zelf antistoffen aanmaakt na een vaccinatie

d)

... als jouw lichaam zelf antigenen aanmaakt na een vaccinatie

11.
Welke bloedcellen zijn onderdeel van het immuunsysteem?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma
12.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
13.

Een antistof kan zich hechten aan verschillende ziekteverwekkers

a)

Waar, antistoffen werken op verschillende antigenen

b)

Niet waar, antistoffen werken op slechts één type lichaamsvreemde stof

c)

Waar, antistoffen werken op een groep van dezelfde antigenen

d)

Niet waar, dit is niet de functie van antistoffen

14.

Wat wordt er bij een inenting in je lichaam gespoten?

a)

Een sterke versie van de ziekteverwekker

b)

Een antistof tegen de ziekteverwekker

c)

Antigenen tegen de ziekteverwekker

d)

Een verzwakte versie van de ziekteverwekker

15.

Kunstmatige immuniteit is...

a)

...als je een vaccin toegediend krijgt

b)

...als je witte bloedcellen ingespoten krijgt

c)

...als jouw lichaam zelf antistoffen aanmaakt na een vaccinatie

d)

... als jouw lichaam zelf antigenen aanmaakt na een vaccinatie

16.
Welke bloedcellen zijn onderdeel van het immuunsysteem?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma
17.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
18.

wat in je lichaam beschermt tegen ziekteverwekkers?

a)

afweersysteem

b)

bloedsomloop

c)

uitscheidingsstelsel

d)

medicijnen

19.

Een antigeen is

a)

Lichaamsvreemd

b)

Lichaamseigen

c)

Een ander woord voor een witte bloedcel

20.

Natuurlijk immuniteit is...

a)

wanneer je natuurlijke antistoffen ingespoten krijgt

b)

wanneer je kunstmatige antistoffen ingespoten krijgt

c)

wanneer je zelf natuurlijke antistoffen maakt

d)

wanneer je zelf kunstmatige antistoffen maakt

21.

Een antistof kan zich hechten aan verschillende ziekteverwekkers

a)

Waar, antistoffen werken op verschillende antigenen

b)

Niet waar, antistoffen werken op slechts één type lichaamsvreemde stof

c)

Waar, antistoffen werken op een groep van dezelfde antigenen

d)

Niet waar, dit is niet de functie van antistoffen

22.

Wat wordt er bij een inenting in je lichaam gespoten?

a)

Een sterke versie van de ziekteverwekker

b)

Een antistof tegen de ziekteverwekker

c)

Antigenen tegen de ziekteverwekker

d)

Een verzwakte versie van de ziekteverwekker

23.

Een antistof is..

(twee antwoorden zijn goed)

a)

Lichaamseigen

b)

Lichaamsvreemd

c)

Iets dat gemaakt wordt door witte bloedcellen

d)

Iets dat gemaakt wordt door de rode bloedcellen

24.

Als je gevoelig bent voor een stof dan noem je dat?

a)

Overgevoeligheid

b)

Astma

c)

Allergie

25.

Welke van deze figuren kan geen virus zijn?

a)

Figuur 1

b)

Figuur 2

c)

Figuur 3

d)

Figuur 4

26.

Virussen kunnen we bestrijden met antibiotica

a)

Juist

b)

Fout

27.

Welke van de onderstaande onderdelen horen bij het verworven (specifieke) afweersysteem?

a)

B-lymfocyten

b)

Huid

c)

Maagzuur

d)

Slijmvliezen

28.

Welke witte bloedcel is in staat tot aangeboren (aspecifieke) afweer?

a)

B-lymfocyt

b)

T-lymfocyt

c)

Macrofaag

d)

Erythrocyt

29.

Welk type cel is verantwoordelijk voor de productie van antistoffen?

a)

Antigeen presenterende cel

b)

B-lymfocyt

c)

T-lymfocyt

d)

Macrofaag

30.

T-lymfocyten maken antistoffen.

a)

Juist

b)

Onjuist

31.

Wat is GEEN lymfoïde orgaan?

a)

Beenmerg

b)

Lymfeknopen

c)

Nier

d)

Thymus

32.

Antigenen worden geproduceerd door B-lymfocyten.

a)

Juist

b)

Onjuist

33.

In welke orgaan rijpen de B-lymfocyten?

a)

Beenmerg

b)

Thymus

c)

Schildklier

d)

Lymfeknopen

34.

Bij welke vorm van afweer horen de macrofagen?

a)

Aangeboren afweer/aspecifieke afweer

b)

Verworven afweer/specifieke afweer

35.

Bij welke vorm van afweer hoort de antigeen presenterende cel (APC)?

a)

Aangeboren afweer/ aspecifieke afweer

b)

Verworven afweer/ specifieke afweer

36.


Snelle, eerste vorm van afweer. Gericht tegen veel verschillende soorten ziekteverwekkers.
Welke vorm van afweer is hier beschreven?

a)

Aangeboren afweer/aspecifieke afweer

b)

Verworven afweer/ specifieke afweer

37.

Waaraan herkennen witte bloedcellen de binnen gedrongen ziekteverwekker?

a)

Antistof

b)

Antigeen

c)

Receptoreiwit

d)

DNA

38.

Welke witte bloedcellen kunnen fagocyteren?

a)

Bloedplaatjes

b)

B-lymfocyten

c)

T-lymfocyten

d)

Macrofagen

39.

Welke witte bloedcellen kunnen geïnfecteerde cellen lek schieten/doden?

a)

APC

b)

B-lymfocyten

c)

T-lymfocyten

d)

Macrofaag

40.

Welk onderdeel van een b-lymfocyt/t-lymfocyt kan het antigeen aflezen?

a)

Antistof

b)

Antillichaam

c)

Receptoreiwit

d)

DNA

41.

T-geheugencellen kunnen meerdere ziekteverwekkers herkennen.

a)

Juist

b)

Onjuist

42.

Door welke bloedcel verloopt een afweerreactie sneller bij infectie met dezelfde ziekteverwekker?

a)

Macrofaag

b)

Leukocyt

c)

Lymfocyten

d)

Geheugencellen

43.

Wat is een belangrijke functie van T-lymfocyten in de immuunrespons?

a)

Ze doden geïnfecteerde lichaamscellen.

b)

Ze produceren antistoffen.

c)

Ze fagocyteren pathogenen.


d)

Ze reguleren de immuunreactie.

44.

Wat doen B-lymfocyten in de afweerreactie?

a)

Ze produceren antistoffen die helpen bij het bestrijden van infecties.

b)

Ze fagocyteren pathogenen en dode cellen.

c)

Ze produceren chemicaliën om ontstekingen te verminderen.

d)

Ze doden geïnfecteerde cellen.

45.

Lisa heeft nog nooit corona gehad. Door de activiteit van welke cellen zal zij bij een besmetting van corona kunnen genezen?

a)

Alleen de B-lymfocyten

b)

Alleen T-lymfocyten

c)

B-lymfocyten & T-lymfocyten

d)

B-Lymfocyten, T-lymfocyten & geheugencellen

46.

Als een ziekteverwekker het lichaam van een mens voor het eerst is binnengedrongen, wordt hij vrijwel direct aangevallen door witte bloedcellen.

      Om welke witte bloedcellen gaat het dan?

a)

B-cellen

b)

Geheugencellen

c)

Macrofagen

d)

T-cellen

47.

Een antigeen is

a)

Lichaamsvreemd

b)

Lichaamseigen

c)

Een ander woord voor een witte bloedcel

48.

Een antistof kan zich hechten aan verschillende ziekteverwekkers

a)

Waar, antistoffen werken op verschillende antigenen

b)

Niet waar, antistoffen werken op slechts één type lichaamsvreemde stof

c)

Waar, antistoffen werken op een groep van dezelfde antigenen

d)

Niet waar, dit is niet de functie van antistoffen

49.

Een antistof is..

(twee antwoorden zijn goed)

a)

Lichaamseigen

b)

Lichaamsvreemd

c)

Iets dat gemaakt wordt door witte bloedcellen

d)

Iets dat gemaakt wordt door de rode bloedcellen

50.

Het woord 'macrofaag' betekent:

a)

pathogene bacterie

b)

kleine eter

c)

grote eter

d)

een grote winkelketen

51.

Onder invloed van welk orgaan ontwikkelen de T-lymfocyten zich?

a)

De thymus

b)

De milt

c)

Het beenmerg

d)

De lymfeklieren

52.

Wat is de juiste rangschikking van de micro-organismen van klein naar groot? Gisten = 1, bacteriën = 2, virussen = 3, eencellige algen = 4

a)

1 - 2 - 3 - 4

b)

2 - 4 - 3 - 1

c)

3 - 2 - 1 - 4

d)

1 - 3 - 4 - 2

e)

4 - 3 - 2 - 1

53.

Als een ziekteverwekker in contact komt met je lichaam, of er in binnendringt, noemen we dat een ...

a)

Besmetting

b)

Infectie

c)

Incubatietijd

d)

Antistof

54.

De tijd tussen de besmetting en de eerste merkbare ziekteverschijnselen noemt de (a)   tijd. (één woord invullen)

55.

Bij steriele materialen zijn ...

a)

de meeste ziektekiemen gedood

b)

enkel de mogelijke ziekteverwekkers gedood

c)

alle ziektekiemen gedood

d)

enkel de gevaarlijkste ziektekiemen gedood

56.

Antistoffen van ons immuunsysteem worden aangemaakt door ...

a)

Macrofagen

b)

T-killercellen

c)

T-helpercellen

d)

B-lymfocyten

57.

Een functie van de macrofagen is ...

a)

Antigeen-Antistofcomplexen opruimen

b)

Antistoffen maken

c)

Signaalstoffen afgeven die andere lymfocyten activeren

d)

Eerder bestreden indringers herkennen

58.

Witte bloedcellen die gebruik maken van perforines zijn de ...

a)

B-geheugen cellen

b)

T-helpercellen

c)

T-killercellen

d)

B-lymfocyten

59.

Duid de manieren aan waarmee virusinfecties kunnen bestreden of voorkomen worden.

a)

Met eigen afweersysteem

b)

Met antibiotica

c)

Met een vaccin

d)

Met pijnstillers

e)

Met antivirale middelen

60.

Als een patiënt stoffen krijgt toegediend uit bloed, afkomstig van mensen of dieren, met daarin specifieke antistoffen, noemen we dat (a)   (1 woord)

61.

Duid de onderdelen van de niet-specifieke afweer aan

a)

slijmvliezen

b)

natuurlijke killercellen

c)

B-lymfocyten

d)

macrofagen

e)

T-lymfocyten

62.

Macrofagen kunnen indringers met hun pseudopodiën omsluiten en ze binnen in hun cellichaam verteren. Dit proces noemt ………..

(a)  

63.

Een virus is opgebouwd uit...

a)

Een eiwitmantel

b)

Een hoeveelheid erfelijk materiaal

c)

Een celmembraan

d)

Een celkern

e)

Een celwand

64.

Virussen kunnen we bestrijden met antibiotica

a)

juist

b)

fout

65.

Virussen kunnen lang overleven buiten het lichaam van een gastheer

a)

juist

b)

fout

66.

Bij actieve immunisatie worden er door het lichaam zelf geen antistoffen geproduceerd

a)

juist

b)

fout