wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Mundo boek 5 Steden en dorp

Total questions: 21

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Waarom zijn veel Europese steden ontstaan langs rivieren?

a)

Omdat mensen graag aan het water wonen.

b)

Omdat rivieren belangrijk waren voor handel en transport.

c)

Omdat rivieren een natuurlijke grens vormden tegen vijanden.

d)

Omdat het water uit de rivier altijd schoon was.

2.

Welke van de volgende kenmerken speelde géén belangrijke rol bij het ontstaan van Europese steden?

a)

Ligging aan een handelsroute

b)

Bescherming door stadsmuren

c)

De aanwezigheid van veel bossen

d)

Een veilige plek voor een markt

3.

Wat is een belangrijk verschil tussen het stadscentrum en de binnenstad?

a)

Het stadscentrum is het historische deel, de binnenstad is het moderne deel.

b)

Het stadscentrum is vaak groter en heeft kantoren en winkels, terwijl de binnenstad meestal het oudere gedeelte is.

c)

De binnenstad heeft alleen winkels, het stadscentrum heeft ook woningen.

d)

Er is geen verschil; het zijn twee namen voor hetzelfde gebied.

4.

Welke van de volgende gebouwen of plekken vind je meestal in het stadscentrum?

a)

Boerderijen en weilanden

b)

Alleen woonwijken

c)

Fabrieken en industriegebieden

d)

Grote kantoren, winkels en toeristische trekpleisters

5.

Wat is een belangrijk verschil tussen middeleeuwse en moderne munten?

a)

Middeleeuwse munten waren vaak van goud of zilver, moderne munten zijn meestal van goedkoper metaal.

b)

Middeleeuwse munten hadden geen waarde, moderne munten hebben dat wel.

c)

Moderne munten kunnen alleen digitaal worden gebruikt, middeleeuwse munten niet.

d)

Middeleeuwse munten waren alleen voor ridders, moderne munten zijn voor iedereen.

6.

Waarom was het vroeger moeilijk om met geld te betalen in verschillende gebieden?

a)

Omdat mensen geen geld gebruikten, alleen ruilhandel.

b)

Omdat munten geen cijfers hadden en niemand wist hoeveel ze waard waren.

c)

Omdat middeleeuwse munten vaak in waarde verschilden per stad of regio.

d)

Omdat je alleen met goud mocht betalen.

7.

Welke van de volgende redenen is géén veelvoorkomende reden om naar de stad te verhuizen?

a)

Betere werkgelegenheid

b)

Meer voorzieningen zoals scholen en ziekenhuizen

c)

Meer rust en natuur

d)

Meer uitgaansgelegenheden en cultuur

8.

Waarom verhuizen sommige mensen van een stad naar een dorp?

a)

Omdat ze dichter bij hun werk willen wonen.

b)

Omdat dorpen meestal goedkoper en rustiger zijn dan steden.

c)

Omdat er in dorpen meer winkels en uitgaansgelegenheden zijn.

d)

Omdat dorpen minder voorzieningen hebben dan steden.

9.

Welke van de volgende beroepen hoort bij de landbouw sector?

a)

Een bakker

b)

Een boer

c)

Een leraar

d)

Een fabrieksmedewerker

10.

In welke sector werken mensen die diensten verlenen, zoals een kapper of een verkoper?

a)

Landbouw sector

b)

Industrie sector

c)

Diensten sector

11.

Wat is vaak te vinden in het gebied net buiten een stad?

a)

Alleen natuurgebieden en bossen

b)

Veel kantoren en geen woningen

c)

Bedrijventerreinen, woonwijken en landbouwgebieden

d)

Alleen grote winkelcentra

12.

Waarom worden sommige bedrijven liever buiten de stad gevestigd?

a)

Omdat er in de stad geen klanten zijn.

b)

Omdat er buiten de stad vaak meer ruimte en lagere grondprijzen zijn.

c)

Omdat werknemers liever buiten werken.

d)

Omdat steden geen bedrijven toestaan.

13.

Waarom wilden stadsbewoners stadsrechten?

a)

Om onafhankelijkheid en zelfbestuur te verkrijgen

b)

Om meer toeristen aan te trekken

c)

Om meer belasting te betalen

d)

Om grotere huizen te bouwen

14.

Welke taken hadden de Gilden in de stad? Er zijn twee of meer antwoorden juist.

a)

Ze zorgen voor woningen

b)

Ze controleerde de kwaliteit van de producten

c)

Ze zorgde voor de opleiding

d)

Ze bepaalde de prijs van het product

15.

Welke kenmerken horen bij Middeleeuwse munten?

a)

De munt is van edelmetaal (zilver of goud) gemaakt.

b)

De waarde staat op de munt.

c)

De munt is een betaalmiddel in veel Europese landen

d)

De munt is een plaatselijk betaalmiddel

16.

De waarde van een Middeleeuwse munt is hetzelfde als de waarde van het materiaal waarvan de munt gemaakt is. Wat deden handelaren met de munten om de waarde te bepalen?

a)

Ze gebruikte vloeistoffen

b)

Ze wogen de munten

c)

Ze gingen eerst naar een speciaal muntenkantoor

17.

Juist of onjuist? De Hanzekooplieden handelde vooral in het Noordwesten van Europa.

a)

Juist

b)

Onjuist

18.

Wat verhandelde de Hanzekooplieden NIET?

a)

Vis

b)

Wijn

c)

Zout

d)

Groente

19.

Steden maakte in de Middeleeuwen afspraken met de heer. Dit noem je....

a)

Een conclaaf

b)

stadrechten

c)

belasting

20.

Bekijk de afbeelding. Hoe noem je als een deel van de stad er zo uit ziet?

a)

Stedelijke vernieuwing

b)

Een Hanzestad

c)

Verpaupering

21.

Welk woord hoort er op de puntjes te staan? Er zijn voorzieningen zonder winstoogmerk, commerciële en (a)   voorzieningen.