wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

RB - menselijke landschapsvormende lagen en ruimtelijke relaties

Total questions: 39

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een ruimtelijke relatie?

a)

Een manier van wonen

b)

Een soort landbouw

c)

Een type vegetatie

d)

Een verband tussen twee of meer landschapsvormende lagen

2.

Wat zijn landschapsvormende lagen?

a)

Elementen die het landschap vormen

b)

Soorten gewassen

c)

Menselijke invloeden

d)

Dieren in het landschap

3.

Wat is een voorbeeld van een verticale relatie?

a)

Rivier en landbouw

b)

Klimaat en vegetatie

c)

Industrie en verkeerswegen

d)

Stad en bedrijven

4.

Wat is een voorbeeld van een horizontale relatie?

a)

Bodem en gewassen

b)

Reliëf en toerisme

c)

Rivier en landbouw

d)

Klimaat en landbouw

5.

Wat is een versterkende relatie?

a)

Relaties die elkaar helpen

b)

Relaties die elkaar hinderen

c)

Relaties die conflicteren

d)

Relaties die niet bestaan

6.

Wat is een verzwakkende relatie?

a)

Relaties die elkaar helpen

b)

Relaties die niet bestaan

c)

Relaties die elkaar hinderen

d)

Relaties die conflicteren

7.

De fabrieken liggen naast de snelweg want dan kunnen er makkelijk producten worden aangeleverd en weggevoerd.

Deze relatie is ...

a)

horizontaal

b)

verticaal

8.

De akkers liggen op een vruchtbare grond.

Deze relatie is ...

a)

horizontaal

b)

verticaal

9.

De akkers liggen op een vlakte en niet op een berg.

Deze relatie is ...

a)

horizontaal

b)

verticaal

10.

De fabrieken liggen niet in het midden van de stad maar aan de andere kant van de snelweg. Zo is het minder storend voor de mensen die in de stad leven.

Deze relatie is ...

a)

horizontaal

b)

verticaal

11.

Als er in de grond bruikbare grondstoffen zitten (zoals steenkool), dan zal men daar aan mijnbouw doen om deze grondstoffen op te graven.

Er is een relatie tussen industrie en ondergrond

a)

horizontaal

b)

verticaal

12.

In een gebergte zal je weinig bebouwing vinden. Dit komt omdat het reliëf het lastig maakt om goed te kunnen bouwen.

Er is een relatie tussen bebouwing en reliëf

a)

horizontaal

b)

verticaal

13.

De aanwezigheid van rivieren en meren trekt dieren aan vanuit de omgeving om te komen drinken.
Deze relatie is ...

a)

horizontaal

b)

verticaal

14.

Vlak naast een woonwijk loopt een drukke snelweg. Het lawaai zorgt voor overlast.

a)

versterkende relatie

b)

verzwakkende/conflicterende relatie

15.

Groene parken in een stad zorgen voor verkoeling. Dit is aangenaam voor de mensen en dieren.

a)

versterkende relatie

b)

verzwakkende relatie

c)

conflicterende relatie

16.

Er ligt een industriezone naast een natuurgebied en dit veroorzaakt luchtvervuiling.

a)

versterkende relatie

b)

verzwakkende relatie

c)

conflicterende relatie

17.

Grote zonnepanelen in een landbouwgebied zorgen voor duurzame energie die de boer kan gebruiken.

a)

versterkende relatie

b)

verzwakkende relatie

c)

conflicterende relatie

18.

Grote zonnepanelen in een landbouwgebied nemen plaats in op het land waardoor de boer dit stukje land niet kan gebruiken om planten te laten groeien.

a)

versterkende relatie

b)

verzwakkende relatie

c)

conflicterende relatie

19.

Een groot appartement zorgt voor schaduw in de tuinen rondom. Zij kunnen niet genieten van de zon.

a)

versterkende relatie

b)

verzwakkende relatie

c)

conflicterende relatie

20.

Er is een groot park naast een school waar kinderen in de pauze spelen.

a)

Horizontaal versterkend

b)

Horizontaal verzwakkend

c)

Verticaal versterkend

d)

Verticaal verzwakkend

21.

Hoge appartementsgebouwen nemen de zon weg uit de tuinen ernaast.

a)

Horizontaal versterkend

b)

Horizontaal verzwakkend

c)

Verticaal versterkend

d)

Verticaal verzwakkend

22.

Een metro rijdt onder de grond in een druk stadscentrum.

a)

Horizontaal versterkend

b)

Horizontaal verzwakkend

c)

Verticaal versterkend

d)

Verticaal verzwakkend

23.

Een ondergrondse tunnel veroorzaakt trillingen in de gebouwen erboven.

a)

Horizontaal versterkend

b)

Horizontaal verzwakkend

c)

Verticaal versterkend

d)

Verticaal verzwakkend

24.

Wat zie je op de foto?

a)

gesloten bebouwing

b)

halfopen bebouwing

c)

open bebouwing

d)

verspreide bebouwing

25.

Wat zie je op de foto?

a)

gesloten bebouwing

b)

halfopen bebouwing

c)

open bebouwing

d)

verspreide bebouwing

26.

Wat zie je op de foto?

a)

gesloten bebouwing

b)

halfopen bebouwing

c)

open bebouwing

d)

verspreide bebouwing

27.

Wat zie je op de foto?

a)

grijsbebouwing

b)

lintbebouwing

c)

geconcentreerde bebouwing

d)

verspreide bebouwing

28.

Wat zie je op de foto?

a)

groenbebouwing

b)

lintbebouwing

c)

geconcentreerde bebouwing

d)

verspreide bebouwing

29.

Wat zie je op de foto?

a)

groenbebouwing

b)

lintbebouwing

c)

geconcentreerde bebouwing

d)

verspreide bebouwing

30.

In grote steden (zoals New York) heb je vooral ...

a)

hoogbouw

b)

laagbouw

c)

lintbebouwing

d)

verspreide bebouwing

31.

In kleine dorpen (zoals Sint-Amands) heb je vooral ...

a)

hoogbouw

b)

laagbouw

c)

wolkenkrabbers

32.

Welk type landgebruik zie je?

a)

Landbouw

b)

Industrie

c)

Woongebied

33.

Welk type landgebruik zie je?

a)

Landbouw

b)

Industrie

c)

Woongebied

34.

Welk type landgebruik zie je?

a)

Landbouw

b)

Industrie

c)

Woongebied

35.

Wat zie je op de foto?

a)

transportinfrastructuur

b)

nutsvoorzieningen

c)

open ruimte

36.

Wat zie je op de foto?

a)

transportinfrastructuur

b)

nutsvoorzieningen

c)

open ruimte

37.

Wat zie je op de foto?

a)

transportinfrastructuur

b)

nutsvoorzieningen

c)

open ruimte

38.

Wat zie je op de foto?

a)

transportinfrastructuur

b)

nutsvoorzieningen

c)

open ruimte

39.

Wat zie je op de foto?

a)

transportinfrastructuur

b)

nutsvoorzieningen

c)

open ruimte