wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grenzen en identiteit

Total questions: 35

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Door de Europese Unie zijn de grenzen ............. geworden.

a)

Zachter

b)

Harder

c)

Natuurlijker

d)

Territorialer

e)

Kunstmatiger

2.

Met welke van de onderstaande begrippen heeft identiteit het minst te maken?

a)

Economie

b)

Politiek

c)

Sociaal en cultureel

3.

Wat is geen onderdeel van cultuur?

a)

Ongeveer de helft van Nederland is gelovig

b)

Bij het inburgeren moet de Nederlandse taal z.s.m. worden geleerd.

c)

Tijdens Koningsdag kleurt Nederland oranje

d)

Meer dan een miljoen mensen werken rondom de haven van Rotterdam

4.

Het spreken van een dialect past het beste bij...

a)

Regionalisme

b)

Mentaliteit

c)

Identiteit

d)

Insluiting

e)

Lokalisme

5.

Aan welke zijde van Europa gebeurd dit?

a)

Noordgrens

b)

Zuidgrens

c)

Oostgrens

d)

Westgrens

6.

Wat zijn open grenzen?

a)

Een grens tussen landen.

b)

Een scheidingslijn.

c)

Een grens die makkelijk te passeren is.

d)

Een grens die moeilijk te passeren is.

7.

Let op! Er kunnen meerdere antwoorden goed zijn.

De Berlijnse Muur en de Chinese Muur zijn voorbeelden van ...

a)

Harde, gesloten grenzen

b)

Open, zachte grenzen

c)

Kunstmatige grenzen

d)

Natuurlijke grenzen

8.

Wat zijn natuurlijke grenzen?

a)

Grenzen die op natuurlijke wijze ontstaan.

b)

Een rivier

c)

Een berg

d)

Een muur

9.

Wat is participatie?

a)

Actief deelnemen aan iets.

b)

Betrokken zijn bij iets.

c)

De mate waarin mensen contact hebben met elkaar.

10.

Waar of niet waar?

Nederland heeft een pluriforme samenleving.

a)

Waar

b)

Niet waar

11.
Wat voor soort grens is dit?
a)
Natuurlijke grens
b)
Kunstmatige grens
12.

Wat voor soort grens zie je op de foto?

a)

Kunstmatige grens

b)

Natuurlijke grens

13.

Wat voor soort grens zie je op de foto?

a)

Harde (gesloten) grens

b)

Zachte (open) grens

14.

Welke regio wil zich van Spanje afscheiden?

a)

Catalonie

b)

Bretagne

c)

Wallonie

15.

Wat betekent soevereiniteit?

a)

Je willen afscheiden van een land

b)

Andere landen morgen niet zomaar beslissen wat er in een ander land gebeurt

c)

Gemeenschappelijke kenmerken hebben met een groep mensen in een land

16.

Wat betekent verstedelijking?

a)

Steden verpauperen

b)

Steden worden onleefbaar

c)

Een steeds groter percentage mensen woont in een stedelijk gebied

17.

Op dit plaatje van Sao Paolo zie je een voorbeeld van

a)

Integratie

b)

Ruimtelijke segregatie

c)

Separatisme

18.

Belangrijke onderdelen van een cultuur zijn:

a)

taal, godsdienst, haarkleur en muziek

b)

godsdienst, huidskleur, taal en sport

c)

godsdienst, taal, kleding, eten en drinken

d)

taal, diffusie, godsdienst en sport

19.

Welke van de twee antwoorden past bij het begrip immigratie

a)

Mensen die in Nederland komen wonen

b)

Mensen die uit Nederland weggaan

20.

Welke zin past bij het begrip emigratie?

a)

Mensen die naar het buitenland toe verhuizen

b)

Mensen die naar een ander gebied in Nederland verhuizen

21.

De bevolkingstoename tussen 1950 en nu was vooral het gevolg van ....

a)

De dalende sterftecijfers

b)

De natuurlijke bevolkingsgroei

c)

De afnemende emigratie

d)

De immigratie

22.

Waarom spelen tradities vaak een belangrijke rol in een cultuur?

a)

Tradities vormen de basis voor gedragsregels binnen een cultuur.

b)

Tradities helpen mensen om te integreren in een cultuur.

c)

Tradities kunnen ervoor zorgen dat mensen uitkomen voor hun geloof.

d)

Tradities kunnen het gevoel versterken dat mensen bij elkaar horen.

23.

Segregatie

a)

Scheiding

b)

Alles wat je hebt aangeleerd

c)

Productie voor eigen gebruik

24.
Welk begrip past het beste bij deze foto?
a)
Townships
b)
Krottenwijken
c)
Segregatie
d)
Black diamonds
25.

Een nadeel van open grenzen is

a)

veel administratie

b)

langere reistijd

c)

concurrentie tussen landen voor winkels en arbeidskracht

d)

er zijn geen nadelen

26.

De landen binnen de EU hebben het Schengenverdrag getekend. Wat houdt dit in?

a)

Dat de grenzen tussen landen open zijn voor verkeer, diensten en mensen

b)

Dat de deelnemende landen betalen met de Euro

c)

Dat een deel van de wetten in het land bepaald worden door de EU

27.
Wat voor soort grens is de Pacific Ocean?
a)
Natuurlijke grens
b)
Kunstmatige grens
28.

Wat is uitsluiting?

a)

Geaccepteerd worden.

b)

Verdraagzaamheid.

c)

Niet geaccepteerd worden.

29.

Waar ligt Flevoland?

a)

4

b)

2

c)

5

d)

12

30.

Waar ligt Zuid-Holland?

a)

4

b)

7

c)

5

d)

11

31.

Waar ligt Zeeland?

a)

4

b)

10

c)

9

d)

1

32.

Waar ligt Overijssel?

a)

8

b)

10

c)

7

d)

6

33.

Waar ligt Friesland?

a)

1

b)

3

c)

8

d)

6

34.

Waar ligt Noord-Holland?

a)

4

b)

3

c)

8

d)

1

35.

Waar ligt Utrecht?

a)

7

b)

6

c)

8

d)

2