Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

dierfysio 2 Quiz

Total questions: 31

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Wat is zenuwweefsel?

a)

Weefsel dat energie opslaat

b)

Weefsel dat signalen door het lichaam verstuurt

c)

Weefsel dat bloed vervoert

d)

Weefsel dat spieren aanstuurt

2.

Wat doen regulatoren?

a)

Ze zijn altijd warm

b)

Ze blijven altijd koud

c)

Ze passen hun interne omstandigheden aan

d)

Ze kunnen niet bewegen

3.

Wat zijn conformers?

a)

Dieren die hun temperatuur aanpassen aan de omgeving

b)

Dieren die hun temperatuur zelf regelen

c)

Dieren die altijd koud zijn

d)

Dieren die altijd warm zijn

4.

Wat is positieve feedback?

a)

Een systeem dat constant blijft

b)

Een systeem dat veranderingen tegenwerkt

c)

Een systeem dat veranderingen versterkt

d)

Een systeem dat niet werkt

5.

Wat is negatieve feedback?

a)

Een systeem dat altijd inactief is

b)

Een systeem dat veranderingen versterkt

c)

Een systeem dat veranderingen tegenwerkt

d)

Een systeem dat altijd actief is

6.

Wat zijn endotherme dieren?

a)

Dieren die hun temperatuur zelf regelen

b)

Dieren die altijd warm zijn

c)

Dieren die afhankelijk zijn van de omgeving

d)

Dieren die altijd koud zijn

7.

Wat zijn ectotherme dieren?

a)

Dieren die altijd koud zijn

b)

Dieren die altijd warm zijn

c)

Dieren die afhankelijk zijn van de omgeving

d)

Dieren die hun temperatuur zelf regelen

8.

Wat is acclimatisatie?

a)

Een aanpassing die altijd gebeurt

b)

Een aanpassing die nooit gebeurt

c)

Een tijdelijke aanpassing aan de omgeving

d)

Een permanente aanpassing aan de omgeving

9.

Wat is metabolisme?

a)

Het proces van ademhalen

b)

Het proces van energie krijgen uit voeding

c)

Het proces van groeien

d)

Het proces van slapen

10.

Wat is ATP?

a)

Een soort vet

b)

Een soort voedsel

c)

Een hormoon

d)

De energie die cellen gebruiken

11.

Wat zijn enzymen?

a)

Vetten die energie opslaan

b)

Eiwitten die reacties versnellen

c)

Mineralen die nodig zijn

d)

Suikers die energie geven

12.

Wat is ammoniak?

a)

Een giftige stof die in water wordt uitgescheiden

b)

Een soort voedsel

c)

Een enzym

d)

Een hormoon

13.

Wat is ureum?

a)

Een enzym

b)

Een soort voedsel

c)

Een minder giftige stof voor landdieren

d)

Een giftige stof die in water wordt uitgescheiden

14.

Wat is urinezuur?

a)

Een soort voedsel

b)

Een niet-giftige stof die water vasthoudt

c)

Een giftige stof

d)

Een enzym

15.

Wat zijn protonefridia?

a)

Een uitscheidingssysteem bij platwormen

b)

Een enzym

c)

Een soort voedsel

d)

Een hormoon

16.

Wat zijn metanefridia?

a)

Een uitscheidingssysteem bij ringwormen

b)

Een soort voedsel

c)

Een enzym

d)

Een hormoon

17.

Wat is de buis van Malpighi?

a)

Een hormoon

b)

Een soort voedsel

c)

Een enzym

d)

Een uitscheidingssysteem bij insecten

18.

Wat is een nephron?

a)

De functionele eenheid in de nieren

b)

Een soort voedsel

c)

Een hormoon

d)

Een enzym

19.

Wat is de glomerulus?

a)

Een enzym

b)

Een hormoon

c)

Een soort voedsel

d)

Een netwerk van haarvaten in de nier

20.

Wat doet ADH?

a)

Verlaagt de bloeddruk

b)

Verhoogt de bloedsuikerspiegel

c)

Versterkt de honger

d)

Helpt om water vast te houden in de nieren

21.

Wat is ghreline?

a)

Een hormoon dat honger stimuleert

b)

Een hormoon dat honger remt

c)

Een soort voedsel

d)

Een enzym

22.

Wat doet insuline?

a)

Remt de honger

b)

Stimuleert de honger

c)

Verhoogt de bloedsuikerspiegel

d)

Verlaagt de bloedsuikerspiegel

23.

Wat is glucagon?

a)

Stimuleert de honger

b)

Verlaagt de bloedsuikerspiegel

c)

Verhoogt de bloedsuikerspiegel

d)

Remt de honger

24.

Wat is lipase?

a)

Een hormoon

b)

Een soort voedsel

c)

Een mineraal

d)

Een enzym dat vetten splitst

25.

Wat zijn voedingsvezels?

a)

Stoffen die alleen in vlees zitten

b)

Stoffen die altijd worden afgebroken

c)

Stoffen die alleen in groenten zitten

d)

Stoffen die niet door enzymen kunnen worden afgebroken

26.

Wat is de functie van de lever?

a)

Het afbreken van vetten

b)

Het produceren van insuline

c)

Het opslaan van zuurstof

d)

Het filteren van bloed

27.

Wat zijn hormonen?

a)

Stoffen die alleen in de maag voorkomen

b)

Stoffen die energie opslaan

c)

Stoffen die door klieren in het bloed worden afgegeven

d)

Stoffen die door zenuwen worden verzonden

28.

Wat is de functie van de nieren?

a)

Het opslaan van voedingsstoffen

b)

Het produceren van hormonen

c)

Het filteren van afvalstoffen uit het bloed

d)

Het reguleren van de lichaamstemperatuur

29.

Wat is de functie van de alvleesklier?

a)

Het filteren van afvalstoffen

b)

Het opslaan van zuurstof

c)

Het produceren van spijsverteringsenzymen

d)

Het reguleren van de lichaamstemperatuur

30.

Wat zijn neurotransmitters?

a)

Stoffen die door de lever worden geproduceerd

b)

Stoffen die de spijsvertering bevorderen

c)

Stoffen die energie opslaan

d)

Stoffen die signalen tussen zenuwcellen overbrengen

31.

Wat is de rol van hemoglobine?

a)

Het vervoeren van zuurstof in het bloed

b)

Het afbreken van vetten

c)

Het opslaan van voedingsstoffen

d)

Het reguleren van de bloedsuikerspiegel