NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsNT2 Alfa B - Geven, Nemen, Halen, Brengen
Total questions: 13
Worksheet time: 7mins
Name
Class
Date
1.
Ik ___ een appel uit de tas.
a)
geef
b)
neem
c)
breng
d)
haal
2.
Ik ___ een cadeau naar mijn vriend.
a)
geef
b)
neem
c)
breng
d)
haal
3.
Ik ___ mijn moeder een kus.
a)
geef
b)
neem
c)
breng
d)
haal
4.
Jij ___ de brief naar de post.
a)
geeft
b)
neemt
c)
brengt
d)
haalt
5.
De hond ___ de bal naar mij.
a)
geeft
b)
neemt
c)
brengt
d)
haalt
6.
Jij ___ de tas naar school.
a)
geeft
b)
neemt
c)
brengt
d)
haalt
7.
Hij ___ een cadeautje voor zijn kind uit de winkel.
a)
geeft
b)
neemt
c)
brengt
d)
haalt
8.
Wij ___ brood bij de bakker.
a)
geven
b)
nemen
c)
brengen
d)
halen
9.
Wij ___ melk uit de supermarkt.
a)
geven
b)
nemen
c)
brengen
d)
halen
10.
Zij ___ een boek van de tafel.
a)
geeft
b)
neemt
c)
brengt
d)
haalt
11.
De vrouw ___ haar kind een koekje.
a)
geeft
b)
neemt
c)
brengt
d)
haalt
12.
De man ___ koffie naar de vrouw.
a)
geeft
b)
neemt
c)
brengt
d)
haalt
13.
Hij ___ een stoel en gaat zitten.
a)
geeft
b)
neemt
c)
brengt
d)
haalt
Reset
