wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Eindquiz 3A+

Total questions: 96

Worksheet time: 1hrs 17mins

Name
Class
Date
1.
Wat is geen hormoonklier?
a)
Schildklier
b)
Bijnieren
c)
Hypofyse
d)
Borstklier
2.
Waar hebben de hormonen geen invloed op?
a)
Groei en ontwikkeling van het lichaam
b)
Op de stofwisseling
c)
Huidskleur
d)
Op de voortplanting
3.
Waar ligt de hypofyse?
a)
Tussen beide hersenhelften
b)
Bij de nieren
c)
In het geslachtsorgaan
d)
Bij de schildklier
4.
Wat betekend het begrip: bloedsuikerspiegel?
a)
Dat is de hoeveelheid suiker dat zich in het bloed bevind
b)
Dat is bloed met suiker gemengd 
c)
Dat is het glucosegehalte van het bloed
d)
Dat betekenend helemaal niks
5.
Waar hebben mensen met diabetes last van?
a)
De eilandjes van Langerhals produceren te weinig  insuline 
b)
Deze mensen hebben last van dwerggroei
c)
Deze mensen hebben een struma
d)
Het bloed is bij deze mensen te dik, waardoor het niet goed kan stromen
6.
Welk hormoon produceren die bijnieren?
a)
Adrenaline
b)
Groeihormoon
c)
Insuline 
d)
Geslachshormonen
7.
De oranje delen van de afbeelding geven aan:
a)
de bijnieren
b)
de alvleesklier
c)
de teelballen
d)
de schildklier
8.

In welk orgaan (of in welke organen) wordt het groeihormoon geproduceerd?

a)

in de bijnieren

b)

in de eierstokken

c)

in de hypofyse

d)

in de schildklier

e)

in de teelballen

9.

De tekening geeft schematisch de bouw weer van een bepaalde klier met aan- en afvoerwegen in het lichaam van de mens.

Voor welke van de volgende klieren kan dit schema gelden?

a)

voor een bijnier

b)

voor een eilandje van Langerhans

c)

voor de schildklier

d)

voor een talgklier

10.

Een onderzoekje naar het verband tussen het glucosegehalte van het bloed en een schrikreactie. Op welk tijdstip schrok deze persoon hevig?

a)

P

b)

Q

c)

R

d)

S

11.

oestrogeen zorgt voor verdikking van de baarmoeder

a)

waar

b)

niet waar

12.

Waar worden oestrogenen & progesteron geproduceerd?

a)

eileider

b)

eierstok

c)

baarmoeder

d)

hypofyse

13.

Welke geslachtscellen kunnen zelf bewegen?

a)

Zaadcellen

b)

Eicellen

14.

Welke geslachtscellen zijn het grootst?

a)

Zaadcellen

b)

Eicellen

15.

Welke geslachtscellen bevatten veel reservevoedsel?

a)

Zaadcellen

b)

Eicellen

16.

Iris had op 3 maart haar eerste dag van de menstruatie. Op welke dag zal haar eerstevolgende eisprong vermoedelijk zijn?

a)

14 maart

b)

17 maart

c)

31 maart

d)

24 maart

17.

Waarvoor dient de opbouw van het baarmoederslijmvlies?

a)

Om bevruchting mogelijk te maken

b)

Om innesteling mogelijk te maken

c)

Om menstruatie mogelijk te maken

18.

Hoeveel dagen duurt een menstruatiecyclus ongeveer?

a)

10

b)

14

c)

28

d)

35

19.
Op welke dag van de menstruatie vindt gemiddeld de eisprong plaats?
a)
10
b)
12
c)
14
d)
16
20.
De prostaat voegt samen met de prostaat vocht toe aan de zaadcellen
a)
Juist
b)
Onjuist
21.
Nisa is op 1 maart voor het eerst ongesteld. Wanneer vindt haar volgende menstruatie weer plaats?
a)
29 Maart
b)
30 Maart
c)
31 Maart
d)
1 April
22.
Op welke dag vindt op de afbeelding de eisprong plaats? 
a)
21 April
b)
22 April
c)
23 April 
d)
24 April 
23.

Op welke dag (nummer) begint de menstruatie?

a)

1

b)

4

c)

14

d)

8

24.
 Met welke letter wordt de plek aangegeven waar een eicel wordt bevrucht?
a)
P
b)
Q
c)
S
d)
R
25.

Welke vorm van geboorteregeling wordt hieronder beschreven

In de vruchtbare periode rond de eisprong hebben man en vrouw geen gemeenschap. Zeer onbetrouwbaar.

a)

Onderbroken geslachtsgemeenschap

b)

Periodieke onthouding

c)

Coïtus interruptus

26.

Judith slikt de pil. Vindt er bij haar nog de ovulatie plaats? En menstruatie?

a)

Wel ovulatie; wel menstruatie

b)

Wel ovulatie; geen menstruatie

c)

Geen ovulatie; wel menstruatie

d)

Geen ovulatie; geen menstruatie

27.

Welk(e) voorbehoedsmiddel(en) bescherm(t) (en) tegen soa's?

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Spiraal

b)

Sterilisatie

c)

Condoom

d)

Pil

e)

Vrouwencondoom

28.

Een vrouw komt drie weken nadat ze geslachtsgemeenschap heeft gehad bij de dokter, omdat ze niet zwanger wil worden.


Wat zal de dokter haar voorschrijven?

a)

Abortus pil

b)

Morning- afterpil

c)

Zuigcurretage

29.

Is de balzak een primaire of secundaire geslachtskenmerk?

a)

Primaire

b)

Secundaire

30.

Welke situatie laat een biseksuele relatie zien?

a)

Jongen - Jongen

b)

Jongen - Meisje

c)

Meisje - Meisje

d)

Zowel verliefd kunnen worden op jongens en meisjes

31.

Wat is bevruchting?

a)

de eicel en de zaadcellen treffen elkaar

b)

de kern van de eicel smelt samen met de kern van de zaadcel

c)

de eicel nestelt zich in het baarmoederslijmvlies

d)

de spermacel zwemt naar de eicel toe

32.

Er zijn verschillende fase bij de bevalling.

1 Uitdrijving.

2 Ontsluiting.

3 Weeën.

Wat is de juiste volgorde tijdens een bevalling?

a)

1 - 2 - 3

b)

2- 3 - 1

c)

3 - 2 - 1

d)

3 - 1 - 2

33.

Het genotype van een organisme komt tot stand op het moment van de bevruchting.

a)

Juist

b)

Onjuist

34.

Een eeneiige tweeling ontstaat uit....

a)

Een eicel en een zaadcel

b)

Een eicel en twee zaadcellen

c)

Twee eicellen en een zaadcel

d)

Twee eicellen en twee zaadcellen

35.

Dit is een eeneiige tweeling. Welke uitspraak klopt?

a)

Genotype en fenotype zijn gelijk

b)

Genotype en fenotype zijn ongelijk

c)

Genotype is gelijk, fenotype is niet gelijk

d)

Genotype is ongelijk, fenotype is gelijk

36.

Wanneer spreken we van een embryo

a)

Tijdens de hele zwangerschap

b)

Na drie maanden van de zwangerschap

c)

De eerste drie maanden van de zwangerschap

d)

Wanneer de baby geboren is

37.

Wat is de duur van de zwangerschap?

a)

35 weken

b)

39 weken

c)

40 weken

d)

28 weken

38.

Wat is een foetus?

a)

Een embryo

b)

Een ongeboren baby vanaf 3 maanden van de zwangerschap tot aan de geboorte

c)

Een ongeboren baby tot aan 3 maanden van de zwangerschap

d)

Een baby

39.
Roken is minder erg dan drinken tijdens een zwangerschap.
a)
Onzin, beide zijn ontzettend schadelijk voor een ongeboren kind.
b)
Klopt.
40.

Welke volgorde van levensfasen klopt?

a)

Baby - peuter - kleuter - schoolkind

b)

Baby - kleuter - peuter - schoolkind

c)

Peuter - baby - schoolkind - kleuter

41.

Een meisje kan al zwanger worden van de eerste keer seks

a)

waar

b)

niet waar

42.

Als je een soa hebt, merk je dat altijd

a)

waar

b)

niet waar

43.

De pil beschermt ook tegen soa's

a)

waar

b)

niet waar

44.

Als een jongen niet klaarkomt tijdens de seks, kan een meisje toch zwanger worden

a)

waar

b)

niet waar

45.

Wat zijn betrouwbare geboorteregelingen?

a)

Condoom, spiraaltje, de pil en periodieke onthouding.

b)

Condoom, pil en periodieke onthouding.

c)

geen van allen.

d)

Condoom, spiraaltje en de pil.

46.

De morning-afterpil...

a)

Moet binnen 12 uur ingenomen worden.

b)

Moet binnen 3 dagen ingenomen worden.

c)

Moet binnen 24 uur binnen genomen worden.

47.
Wat kun je met je zintuigen doen?
a)
informatie uit je omgeving zien
b)
informatie uit je omgeving horen
c)
informatie uit je omgeving waarnemen
d)
geen idee
48.
Wat zijn zintuigen?
a)
ogen, oren, mond, neus, huid, handen
b)
ogen, mond, oren, huid, neus
c)
ogen, oren, mond, huid, neus, voeten
d)
ogen, oren, mond, huid, neus, gevoel
49.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

50.
voor welke  smaken is je tong het gevoeligst?
a)
melk,boter,zoet,zout
b)
bitter,zoet,water,zout
c)
zoet,zuur,bitter,zout
d)
zoet,zuur,bitter,zout
51.
Op de afbeelding zie je 
a)
de grijpreflex
b)
de terugtrekreflex
c)
de kniepeesreflex
d)
de pupilreflex
52.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
53.
Dit is een adequate prikkel voor:
a)
ogen
b)
oren
c)
huid
d)
evenwicht
54.
Welk stelsel werkt sneller?
a)
het hormoonstelsel
b)
het zenuwstelsel
c)
allebei net zo snel
55.
De veranderingen van de jongen in het plaatje komen door:
a)
geslachtshormoon
b)
groeihormoon
c)
geslachtshormoon én groeihormoon
d)
geen van de twee hormonen
56.
Centraal zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en ruggemerg
b)
hersenen en perifere zenuwen
c)
hersenen en mororische zenuwen
d)
hersenen ruggenmerg en perifere zenuwen
57.
De hersenen zijn onder te verdelen in:
a)
grote hersenen  en kleine hersenen tussen tussenhersenen hersenstam
b)
grote hersenen  en tussen hersenen kleine hersenen ruggenmer
c)
grote hersenen, kleine hersenen en  hersenzenuwen
d)
Hersenstam, kleine hersenen en grote hersenen
58.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en zenuwen
b)
hersenen en ruggenmerg
c)
hersenen en perifere zenuwen
d)
hersenen, ruggenmerg en zenuwen
59.
Uit welke twee lagen bestaat de opperhuid?
a)
opperhuid en kiemlaag
b)
hoornlaag en opperhuid
c)
hoornlaag en kiemlaag
d)
kiemlaag en lederhuid
60.
In welke laag van de huid vind je de zweetkliertjes?
a)
Opperhuid
b)
Lederhuid
c)
Onderhuids bindweefsel
61.
Welke nummer is haar
a)
1
b)
4
c)
7
d)
8
62.
nummer 2 is?
a)
haarvat
b)
bloedvat
63.
Welk nummer is de zweetklier
a)
6
b)
1
c)
14
d)
5
64.
Welke nummer is de oorgang
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
65.
Welke nummers  hamer en aambeeld en stijgbeugel
a)
4, 5 en 10
b)
3, 4 en 5
c)
3, 4 en 6
d)
4 , 5 en 9
66.
Wat is nummer 10
a)
oorgang
b)
trommelvlies
c)
buis van eustachius
d)
oorzenuw
67.
Houden het trommelvlies soepel?
a)
oorgang
b)
oorschelp
c)
trommelvlies
d)
oorsmeerkliertjes
68.
vervoert impulsen naar de hersenen
a)
slakkenhuis
b)
buis van eustachius
c)
oorzenuw
d)
trommelvlies
69.

Als je gevoeliger wordt voor een adequate prikkel, dan is de drempelwaarde gestegen.

a)

Juist

b)

Onjuist

70.

Welke twee onderdelen kunnen de waarneming van prikkels beinvloeden volgens de theorie?

a)

Motivatie & alertheid

b)

Gewenning & vermoeidheid

c)

Motivatie & gewenning

d)

Gewenning & alertheid

71.

Traanvocht komt uit de ... en wordt afgevoerd door de ...?

a)

Traanbuizen & traanklieren

b)

Traanklieren & Traanbuizen

c)

Harde oogvlies & traanklieren

d)

Traanbuizen & wimpers

72.

Als fel licht plots op je netvlies valt, dan...

a)

Spannen je kringspieren aan, waardoor je iris kleiner wordt

b)

Ontspannen je kringspieren waardoor de iris groter wordt

c)

Spannen je kringspieren aan, waardoor de pupil kleiner wordt

d)

Ontspannen je kringspieren, waardoor de pupil groter wordt

73.

Voor het zien van dichtbij heb je een ... lens nodig

a)

Platte

b)

Bolle

74.

accommoderen is...

a)

Het groter en kleiner worden van je pupil

b)

Je lens die platter of boller wordt.

c)

Het platter of boller worden van de pupil

d)

Het groter en kleiner worden van de lens

75.
In de zintuigen wordt van een prikkel een
a)
taak gemaakt
b)
afdruk gemaakt
c)
impuls gemaakt
d)

zenuw gemaakt

76.
Bij welk zintuig hoort deze afbeelding?
a)
Gehoor-zintuig
b)
Gezichts-zintuig
c)
Reuk-zintuig
d)
Smaak-zintuig
77.
Overdag kun je het beste kleuren zien met 
a)
Staafjes uit de blinde vlek
b)
kegeltjes uit de blinde vlek
c)
staafjes uit de gele vlek
d)
kegeltjes uit de gele vlek
78.

Geef de naam van onderdeel 2

(a)  

79.

Geef het nummer van het onderdeel dat zorgt voor de afkoeling van de huid (alleen het nummer invullen)

(a)  

80.

Kies de functie van onderdeel 5

a)

Isolatie, reserve brandstof en schokdemping

b)

Aanmaak van nieuwe huidcellen

c)

Reserve brandstof en het vervoeren van bloed

d)

De verzamelplaats voor de drukzintuigen

81.

Geef de naam van onderdeel 3

(a)  

82.

Geef de naam van onderdeel 5

(a)  

83.

Geef de naam van onderdeel 10

(a)  

84.

Geef het nummer van het onderdeel dat veel bloedvaten bevat (alleen het nummer invullen)

(a)  

85.

Geef het nummer van de pupil (alleen het nummer invullen)

(a)  

86.

Kies de doorzichtige onderdelen

a)

1, 3, 4, 5, 7

b)

2, 4, 5, 9

c)

3, 4, 5

d)

1, 2, 3, 4, 5

87.

De (oog)lens kan boller en holler worden, waardoor we dichtbij en veraf scherp kunnen zien

a)

Juist

b)

Onjuist

88.

Als het licht naast de gele vlek valt, zien we niks.

a)

Juist

b)

Onjuist

89.

Sterren kun je 's nachts niet zien als je er direct naar kijkt, omdat...

a)

De lichtprikkel niet op de gele vlek valt

b)

De lichtprikkel dan op de blinde vlek valt

c)

De pupil te groot is voor het licht van de ster

d)

De lichtprikkel te zwak is voor de gele vlek

90.

Als je verkouden bent is er een kans op een oorontsteking, omdat...

a)

De bacteriën via het bloed naar de trommelholte kunnen gaan

b)

Bij het verkeerd snuiten de bacteriën via de buis van Eustachius in de trommelholte kunnen komen

c)

Het trommelvlies geirriteerd kan raken en er meer oorsmeer aangemaakt wordt

d)

De buis van Eustachius dan verstopt kan raken en er geen lucht meer naar de trommelholte kan

91.

Als je ineens stopt na het draaien kun je flink misselijk worden, omdat...

a)

De vloeistof in het evenwichtsorgaan niet direct stilstaat en dus nog signalen van draaiing doorgeven

b)

De vloeistof in het evenwichtsorgaan de andere kant op gaat en het gaat botsen

c)

Je ogen nog nabewegen van de draaiing en ze moeten herstellen en bijkomen

d)

Je ogen geen scherp beeld hebben gegeven naar de hersenen en dit even moet herstellen

92.

Kies de naam van zintuigcellen die signalen versturen van het centrale zenuwstelsel naar een spier of een klier

a)

Gevoelszenuwcellen

b)

Schakelzenuwcellen

c)

Bewegingszenuwcellen

93.

Een tandarts gebruikt bij het boren een verdoving, omdat...

a)

Zintuigen dan geen prikkels kunnen waarnemen

b)

Zintuigen dan geen impulsen aan kunnen maken

c)

Impulsen niet doorgegeven kunnen worden over de zenuwen

d)

De hersenen geen impulsen kunnen verwerken en het betreffende gebied kort is stilgelegd

94.

Mensen ademen vaak diep in als ze iets goed willen ruiken, omdat...

a)

Er zoveel mogelijk lucht gekeurd kan worden

b)

De lucht ook 'geproefd' kan worden in de mondholte

c)

De reukzintuigen in het bovenste gedeelte van de neusholte liggen

d)

De reukzintuigen veel prikkels nodig hebben voor ze een impuls versturen

95.

Als je in een vliegtuig zit, krijg je vaak pijn in je oor tijdens het stijgen. Dit komt omdat...

a)

De druk in de trommelholte dan lager is dan daarbuiten. Het trommelvlies staat dan bol (naar buiten).

b)

De druk in de trommelholte dan lager is dan daarbuiten. Het trommelvlies staat dan hol (naar binnen).

c)

De druk in de trommelholte dan hoger is dan daarbuiten. Het trommelvlies staat dan bol (naar buiten).

d)

De druk in de trommelholte dan hoger is dan daarbuiten. Het trommelvlies staat dan hol (naar binnen).

96.


Bij het maken van een foto kan het zijn dat er rode pupillen ontstaan. Geef de naam van het onderdeel dat te zien is als 'rode ogen'.

(a)