wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nervus onderwijs CVA september 2025

Total questions: 41

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Welke prevalentie van post-stroke depressie (PSD) wordt in het artikel genoemd?

a)

10%

b)

20%

c)

30%

d)

50%

2.

Welke diagnosecriteria zijn volgens het artikel leidend voor PSD?

a)

ICD-10

b)

DSM-5

c)

DSM-IV

d)

HADS

3.

In de studie met mirtazapine werd welk verschil in PSD-incidentie gevonden tussen de behandel- en onbehandelde groep?

a)

5,7% vs. 40%

b)

10% vs. 30%

c)

7% vs. 11%

d)

8,3% vs. 24,5%

4.

Welke non-farmacotherapeutische strategie liet in meerdere studies een positief effect zien?

a)

Mentale support met educatie

b)

Meridiaantherapie

c)

Telezorg met mentale ondersteuning

d)

Life-reviewtherapie

5.

Waarom is de klinische toepasbaarheid van de resultaten volgens de auteurs beperkt?

a)

Te kleine steekproeven

b)

Onvoldoende therapietrouw

c)

Grote methodologische heterogeniteit

d)

Hoge kosten van interventies

6.

Welke mogelijke bijwerkingen van antidepressiva worden genoemd, maar niet onderzocht in de studies?

a)

Slaperigheid, fracturen, hyponatriëmie en vallen

b)

Misselijkheid, hoofdpijn, slapeloosheid

c)

Gewichtstoename, seksuele disfunctie, obstipatie

d)

Trombose, hypertensie, epilepsie

7.

In sommige studies werd cognitieve gedragstherapie vergeleken met escitalopram. Eén studie liet een preventief effect van escitalopram zien, een andere niet.

a)

juist

b)

onjuist

8.

Alle studies naar non-farmacotherapeutische interventies toonden een significante afname van PSD.

a)

juist

b)

onjuist

9.

Volgens de review kan op basis van de huidige literatuur nog géén duidelijke aanbeveling gedaan worden voor de preventie van PSD.

a)

juist

b)

onjuist

10.

De kans op het ontwikkelen van een bloedig CVA is tijdens een zwangerschap verhoogd in vergelijking met de kans bij vrouwen van dezelfde leeftijd die niet zwanger zijn. Deze stelling is:

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

In welke periode van de zwangerschap is de kans op een ischemisch CVA het grootst?

a)

Eerste trimester

b)

Tweede trimester

c)

Derde trimester

12.

Waardoor is de kans op een ischemisch CVA in de zwangerschap verhoogd?

a)

door toename van endogeen tissue-plasminogen activator

b)

door toename van trombocytenaggregatie-neiging

c)

door toename van stollingsfactoren in het bloed

13.

De (gerapporteerde) incidentie van herseninfarcten bij de moeder is in de laatste tijd ten opzichte van vroeger afgenomen. Deze stelling is:

a)

juist

b)

onjuist

14.

CT-angiografie tijdens zwangerschap is in principe gecontra-indiceerd. Deze stelling is:

a)

Juist

b)

Onjuist

15.

Is er bij een AVM een verhoogde kans op bloeding tijdens een zwangerschap?

a)

Waarschijnlijk wel

b)

Waarschijnlijk niet

c)

Dat is niet goed bekend

16.

Een vrouw van 32 jaar (G1P0) is bekend met een caverneus hemangioom. In de 32e week van de zwangerschap krijgt ze een focale epileptische aanval met speech arrest en onbestemde angstgevoelens. Bij lichamelijk onderzoek zijn er geen afwijkingen. Op de MRI-scan is een kleine ronde niet-homogene (‘popcorn-achtige’) afwijking te zien met een doorsnede van ongeveer 1 cm. Hierbinnen zijn er aanwijzingen voor hemosiderine als teken van een voorgaande bloeding. Bij angiografie zijn er geen afwijkingen. De zwangerschap verloopt verder probleemloos en de vrouw is in het algemeen goed gezond en heeft geen medische voorgeschiedenis.


a)

nu operatief ingrijpen om een nieuwe bloeding voor te zijn

b)

lokale radiotherapie om een nieuwe bloeding te voorkomen

c)

een afwachtend beleid en een sectio om risico’s te vermijden

d)

een afwachtend beleid en een vaginale bevalling

17.

Welke van onderstaande is een risicofactor voor het ontstaan van een ischemisch CVA tijdens de zwangerschap?

a)

IVF

b)

eerste zwangerschap

c)

meerlingzwangerschap

d)

zwangerschap voor het 20e jaar

18.

Naar welke mogelijke onderliggende aandoening moet vooral worden gezocht in geval van een arterieel herseninfarct in het kraambed waarvan de oorzaak niet direct duidelijk is?

a)

Cardiomyopathie

b)

Interstitiele nefritis

c)

een KNO infectie

d)

Schildklierlijden

19.

Een 25-jarige vrouw ondergaat een MRI-onderzoek waarbij gadolinium gegeven wordt. Kort daarna blijkt dat ze 10 weken zwanger was tijdens het onderzoek. Is met de huidige kennis de kans op schade bij de foetus door het gebruik van gadolinium aanwezig?

a)

Ja, daar zijn aanwijzingen voor

b)

Nee daar zijn geen aanwijzingen voor

20.

In welke periode van de zwangerschap vergroot blootstelling aan ioniserende straling de kans op een miskraam?

a)

Eerste trimester

b)

Tweede trimester

c)

Derde trimester

d)

tijdens de gehele zwangerschap

21.

Wat geldt voor intraveneuze trombolyse tijdens de zwangerschap zover we weten?

a)

deze behandeling is in principe gecontra-indiceerd

b)

deze behandeling mag alleen in een tertiar centrum plaatsvinden

c)

deze behandeling brengt geen speciale risico’s tijdens zwangerschap met zich mee

22.

Wat geldt voor endovasculaire therapie bij een arterieel herseninfarct tijdens de zwangerschap?

a)

het effect van de behandeling weegt op tegen alle denkbare nadelen

b)

deze behandeling is gecontra-indiceerd vanwege de kans op hemodynamische complicaties

c)

deze behandeling brengt een meer dan acceptabele stralingsbelasting met zich mee en komt daarom niet in aanmerking

23.

Wat geldt tijdens zwangerschap voor de veiligheid bij moeder en kind van secundaire profylaxe bij verhoogde kans op een ischemisch CVA?
Acetylsalicylzuur is veilig. Deze stelling is:

a)

juist

b)

onjuist

24.

Clopidogrel wordt ontraden. Deze stelling is:

a)

juist

b)

onjuist

25.
  1. Vitamine K-antagonisten worden ontraden. Deze stelling is:

a)

juist

b)

onjuist

26.

DOACs worden ontraden. Deze stelling is:

a)

juist

b)

onjuist

27.

LMWH/ heparine wordt ontraden. Deze stelling is:

a)

juist

b)

onjuist

28.

Welke van onderstaande factoren verhoogt het risico op een zwangerschap-gerelateerde cerebrale veneuze sinustrombose?

a)

hogere leeftijd van de moeder

b)

immobiliteit van de moeder

c)

roken van de moeder

d)

vroeggeboorte van het kind

29.

De aanwezigheid van een cerebraal aneurysma is in principe een indicatie voor een sectio caesarea. Deze stelling is:

a)

Juist

b)

Onjuist

30.

Een man van 71 jaar wordt op de Spoedeisende hulpafdeling binnen gebracht met een gedaald bewustzijn en een progressief verlopend hemibeeld links. Hij is bekend met hypertensie en wordt daarvoor behandeld. Verder gebruikt hij een lage dosis acetylsalicylzuur. De reden hiervan is vooreerst niet goed te achterhalen. Verder is de voorgeschiedenis blanco. Zijn bloeddruk is bij binnenkomst 195-100 mmHg.

Op de CT-scan wordt een frontale lobaire bloeding gezien, geen verdere afwijkingen. Aansluitend wordt een CT-angiografie verricht, hierbij worden geen verdere vasculaire afwijkingen gevonden. De meest waarschijnlijke diagnose is hier ‘hypertensieve bloeding’.

a)

Juist

b)

Onjuist

31.

Hier is – gezien de gebruikte medicatie – toediening van trombocyten aangewezen om de uiteindelijke prognose te verbeteren.

a)

Juist

b)

Onjuist

32.

Behandeling van de bloeddruk is hier in de acute situatie aangewezen teneinde de prognose te verbeteren.

a)

Juist

b)

Onjuist

33.

Wat geldt voor de volgende beweringen over de relatie tussen intracerebrale bloeding en cerebrale veneuze sinustrombose?

I. in het kader van een cerebrale veneuze sinustrombose komt – zover bekend – vaker dan toevallig een intracerebrale bloeding voor
II. in het kader van een intracerebrale bloeding komt – zover bekend – vaker dan toevallig een cerebrale veneuze sinustrombose voor

a)

beide beweringen zijn juist

b)

I is juist, II is onjuist

c)

I is onjuist, II is juist

d)

beide beweringen zijn onjuist

34.

Welk van onderstaande verschijnselen wijst op een onderliggende tumor als oorzaak van een intracerebrale bloeding?

a)

excessief overgeven bij de manifestatie van de bloeding

b)

veel oedeem op een CT-scan in een vroege fase

c)

dubbelzien als beginsymptoom bij de bloeding

d)

progressieve uitval na de eerste symptomen

35.

Wat is – volgens de nieuwste inzichten – de plaats van minimaal invasieve neurochirurgische behandeling van een supratentorieel intracerebraal haematoom? Wat betreft de functionele uitkomst heeft deze behandeling …

a)

doorgaans een gunstig effect

b)

mogelijk een gunstig effect

c)

waarschijnlijk geen gunstig effect

d)

geen aantoonbaar gunstig effect

36.

Welk van onderstaande klinische verschijnselen voorafgaand aan de bloeding doet de verdenking rijzen op cerebrale amyloïdangiopathie als oorzaak voor een intracerebrale bloeding?

a)

cognitieve stoornissen

b)

epilepsie zonder bekende oorzaak

c)

klachten van aspecifieke duizeligheid

d)

vaak hoofdpijn

37.

Welke CT-afwijking doet de verdenking rijzen op cerebrale amyloïdangiopathie als oorzaak voor een intracerebrale bloeding?

a)

signaalrijke afwijkingen aan de schedelbasis

b)

superficiële siderose

c)

verstreken corticale sulci

d)

vergrote zijventrikels

38.

Welk van onderstaande problemen is vooral een oorzaak van een intracraniële bloeding?

a)

acute gedissemineerd encefalomyelitis

b)

posterieure reversibele encefalopathie

c)

postradiatie encefalopathie

d)

progressieve multifocale leukencefalopathie

39.

Wat geldt voor behandeling middels bloeddrukverlaging binnen zes uur na het ontstaan van een intracerebrale bloeding?

a)

dit verbetert de functionele uitkomst maar er is een risico op acute neurologische verergering

b)

it is veilig en het lijkt aannemelijk dat hiermee de functionele uitkomst verbetert

c)

dit is veilig maar uiteindelijk is er geen verbetering van de functionele uitkomst

d)

dit is riskant vanwege de kans op acute neurologische verslechtering en het verbetert de uitkomst niet

40.

Wat geldt voor de behandeling met idarucizimab (praxbind) bij een patiënt met een intracerebrale bloeding en een verlengde stollingstijd onder dabigatran? Dat is een effectieve maatregel, maar deze …

a)

heft ook het effect van andere anticoagulantia op

b)

herbergt de kans op een ischemisch infarct

c)

maakt dat dabigatran later niet meer effectief is

d)

vraagt meestal om een herhaalde toediening

41.

Binnen welk tijdsvenster treedt na een intracerebrale bloeding meestal het maximum van het oedeemvolume op?

a)

24-48 uur

b)

2-4 dagen

c)

4-7 dagen

d)

7-10 dagen