wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefententamen Basiskennis Sales

Total questions: 40

Worksheet time: 40mins

Name
Class
Date
1.
Een verkoper is erg gespannen omdat zijn vrouw op het punt staat te bevallen. In zijn gesprek is hij dan ook kort af en erg to the point. Hier is sprake van…
a)
Coderen
b)
Decoderen
c)
Externe ruis
d)
Interne ruis
2.
Een presentator begint zijn presentatie met een stelling en presenteert daarna argumenten die de stelling onderbouwen. Van welk presentatiemodel maakt hij gebruik?
a)
These-en amplificatiemodel
b)
Chronologisch model
c)
Probleem-en oplossingsmodel
d)
Trechtermodel
3.
Bij commercieel telefoneren zijn er meerdere elementen belangrijk bij het faciliteren. Welke van de volgende elementen is niet belangrijk?
a)
Ruimte
b)
Resources
c)
Referenties
d)
Resultaatgerichtheid
4.
De reis van de held wordt vaak gebruikt bij het maken van verhalen voor storytelling. Welk element behoort niet tot de essentie een verhaal.
a)
De reactie
b)
De intro
c)
De plot
d)
De boodschap
5.
In rechtstreekse communicatie staan 3 elementen centraal. Welk element heeft het meeste invloed volgens Albert Mehrabian?
a)
Verbaal
b)
Vocaal
c)
Visueel
d)
Alle elementen evenveel
6.
Een krachtig instrument voor je propositie is storytelling. Op welk gebied heeft storytelling volgens de Narrative Transporation Theory geen impact?
a)
Extra hersenactiviteit
b)
Aanmaken van dopamine
c)
Er ontstaat een neurokoppeling
d)
Extra eye tracking
7.
Op een website staan 4 soorten abonnementen. Helemaal links staat het duurste abonnement. Op welk effect wordt hier ingespeeld?
a)
Anker effect
b)
Medium effect
c)
Peak-end effect
d)
Decoy effect
8.
Uit onderzoek blijkt dat personen irrationeel veel waarde toekennen aan iets wat ze bezitten. Hoe noem je dit effect?
a)
Recency effect
b)
Endowment effect
c)
Primacy en recency effect
d)
Peak-end effect
9.
In salesgesprekken geldt: Laat OMA thuis. Wat wordt bedoeld met OMA?
a)
Offerte, Maatwerk, Aanbieding
b)
Onderhandelen, Meebewegen, Afronden
c)
Oordelen, Meningen en Aannames
d)
Oorzaken, Maatregelen, Afloop
10.
Wat is de rol van de initiator in de DMU? Hij…
a)
geeft zijn mening over het product of de dienst
b)
neemt het initiatief voor de aanschaf van een product of dienst
c)
voorziet de leverancier van waardevolle tips met betrekking tot het besluitvormingsproces
d)
werkt met het product of de dienst
11.
Om mensen te typeren maakt men in de DISC persoonlijkheidstest gebruik van kleuren.Bij welke kleur past de omschrijving van een krachtig persoon die actie- en prestatiegericht is?
a)
Blauw
b)
Geel
c)
Groen
d)
Rood
12.
Een verkoper maakt in de eerste minuten van het salesgesprek de klant meerdere complimenten. De klant vindt dit nogal gemaakt overkomen en heeft al snel een hekel aan de verkoper. Van welk effect is hier sprake?
a)
Autoriteit
b)
Slime effect
c)
Sympathie
d)
Wederkerigheid
13.
Een bedrijf kent een salesfunnel die bestaat uit de fasen Suspect, Prospect, Hot Prospect en Klant. De normale conversieratio’s zijn: Van suspect naar prospect 50% en Van prospect naar hot prospect 10%. Als er 100 Suspects zijn, dan leidt dit tot…
a)
5 klanten
b)
5 hot prospects
c)
50 hot prospects
d)
50 Klanten
14.
Een organisatie overweegt de aanschaf van een CRM systeem. Alles brochures en telefoontjes over dit onderwerp komen bij de secretaresse binnen. Zij vervult hiermee de rol van:
a)
Beïnvloeder
b)
Coach
c)
Gatekeeper
d)
Gebruiker
15.
Het vastleggen van afspraken tussen klant en leverancier gebeurt vaak in een..
a)
Vendor rating
b)
Service Level Agreement
c)
Decision Making Unit
d)
Sales funnel
16.
Binnen de salesfunnel wordt gesproken over prospects. Dit zijn
a)
Klanten die een herhaalaankoop doen
b)
Klanten die voorheen iets kochten, maar nu niet meer
c)
Potentiele klanten waarmee contact is
d)
Potentiële klanten waarmee nog geen contact is
17.
Bij welke producten uit de Kralic inkoopportfoliomatrix is het goed om de samenwerking proberen te stimuleren?
a)
Bij hefboomproducten
b)
Bij knelpuntproducten
c)
Bij routineproducten
d)
Bij strategische producten
18.
Welke inkoopstrategie hoort bij hefboomproducten uit de Kraljic inkoopportfoliomatrix?
a)
“Beste leverancier van de klas kiezen”
b)
“Goede vriendjes worden met deze leveranciers”
c)
“Niet alle eieren in 1 mandje leggen”
d)
“Zo min mogelijk van deze leveranciers”
19.
Wat is geen onderdeel van het AIDA model van Strong?
a)
Attention
b)
Interest
c)
Desire
d)
Awareness
20.
Wat valt niet onder het leidmotief Genot?
a)
Authenticiteit
b)
Schoonheid
c)
Status
d)
Uniciteit
21.
Een verkoper leest in de krant dat een van zijn klanten een FD gazellen (prijs) heeft gewonnen. Die dag stuurt hij de klant een whatsapp bericht met de tekst: Van harte gefeliciteerd! De verkoper maakt daarbij gebruik van het Cialdini principe
a)
Autoriteit
b)
Consistentie
c)
Wederkerigheid
d)
Sympathie
22.
Er zijn meerdere manieren om een zogenaamde waardepropositie op het Leidmotief ‘Gewin’ op te bouwen. Welke van onderstaande opties behoort hier niet toe?
a)
Kostenreductie
b)
Kostenvermijding
c)
Kostenzekerheid
d)
Omzettoename
23.
Welk principe van Cialdini wordt geactiveerd door ‘liken’ op facebook ?
a)
Schaarste
b)
Consistentie
c)
Autoriteit
d)
Sociale bewijskracht
24.
Welk beinvloedingsprincipe heeft de grootste rol bij de inkoopsituatie van new task buy?
a)
Sociale bewijskracht
b)
Wederkerigheid
c)
Consistentie
d)
Schaarste
25.
Een accountmanager is op bezoek bij een klant. De klant geeft aan dat hij twijfelt over het aanbod. De accountmanager stuurt na afloop van het gesprek een gespreksverslag per e-mail naar de klant waarin hij opneemt dat het aanbod nog een week geldig is. Hiermee maakt de accountmanager gebruik van het Cialdini principe
a)
Autoriteit
b)
Consistentie
c)
Sociale bewijskracht
d)
Schaarste
26.
Wat is geen factor van Sympathie volgens Cialdini?
a)
Consistentie
b)
Gelijksoortigheid
c)
Complimenten
d)
Positieve associatie
27.
Een elevator pitch bestaat uit de elementen Wie help je? Met welk probleem? Wat levert het de ander op en eindigt met een vraag. Welk element ontbreekt nog?
a)
Waar is het verkrijgbaar?
b)
Wat is jouw oplossing?
c)
Wat kost het?
d)
Wie zijn er al klant?
28.
Wat is geen onderdeel van het JOP principe?
a)
Jezelf
b)
Organisatie
c)
Prijs
d)
Product
29.
Hoe heet de theorie die aangeeft dat je met een paar tussenpersonen in contact staat met iedereen in de wereld?
a)
Social Selling Index
b)
Facebook to the world
c)
Small World Problem
d)
Six Degrees of Seperation
30.
Wat is een belangrijke overweging bij cold calling?
a)
Welke producten te verkopen
b)
Welke brieven verstuurd gaan worden
c)
Make or buy - Beslissing
d)
Hoe lang het aanbod geldt
31.
Wat is geen verschijningsvorm van koude acquisitie?
a)
Cold canvassing
b)
Direct mail
c)
Cold calling
d)
Social selling
32.
Jaarlijks worden in een land 500.000 nieuwe auto’s verkocht. Een auto wordt gemiddeld na 5 jaar vervangen. Afgelopen jaar was 1 op de 10 verkochte auto’s elektrisch. Een fabrikant die alleen elektrische auto’s verkoopt heeft een marktaandeel van 10%. Met welk verkooppotentieel kan deze fabrikant rekening houden?
a)
1.000 auto’s
b)
5.000 auto’s
c)
50.000 auto’s
d)
500.000 auto’s
33.
Er wordt veel gewerkt met SMART targets. In de afkorting SMART staat de S voor:
a)
Specifiek
b)
Segment
c)
Sales
d)
Share of wallet
34.
Het binnenhalen van 20 nieuwe klanten in een jaar is een voorbeeld van
a)
een bottom-up target
b)
een inputtarget
c)
een kwalitatief target
d)
een outputtarget
35.
Sinds 25 mei 2018 is de ‘General Data Protection Regulation (GDPR) Act’ van kracht. Wat is de GDPR?
a)
Een Europese wet die regelt hoe bedrijven om moeten gaan met persoonsgegevens
b)
Een Europese wet die regelt hoe de concurrentie is geregeld binnen markten
c)
Een Europese wet die regelt hoeveel data je kan opslaan
d)
Een Europese wet die regelt waar je data kan opslaan
36.
Binnen het model De Waardeketen van Porter behoren Marketing & Sales tot de
a)
Inkomende logistiek
b)
Secundaire activiteiten
c)
Uitgaande logistiek
d)
Primaire activiteiten
37.
Een organisatie heeft 50% promotors, 20% passief tevredenen en 30% criticasters. De NPS van deze organisatie bedraagt
a)
-10
b)
0
c)
20
d)
30
38.
Welke strategie van Treacy en Wiersema (1993) zet de klant centraal?
a)
Operational Excellence
b)
Customer Intimacy
c)
Product Leadership
d)
Funnel management
39.
Als we naam en geboortedatum zouden moeten indelen in de verschillende soorten data, dan zijn deze:
a)
Gestructureerd en dynamisch
b)
Dynamisch en ongestructureerd
c)
Ongestructureerd en dynamisch
d)
Gestructureerd en statisch
40.
Hoe wordt binnen sales het managen van relaties met potentiele klanten ook wel aangeduid?
a)
De klant centraal
b)
Klantrelatiesyclus
c)
Accountmanagement
d)
New business development