wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

GenNW module 1 oefenquiz

Total questions: 77

Worksheet time: 58mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de beste definitie van een stof?

a)

Iets met massa en volume zoals een bal

b)

Materie met eigen, onveranderlijke eigenschappen

c)

Een bruikbaar ding gemaakt uit materialen

d)

Een mengsel van meerdere zuivere materialen

2.

Welke eigenschap is een voorwerpeigenschap, niet een stofeigenschap?

a)

Smeltpunt van het materiaal

b)

Kleur van olijfolie zelf

c)

Vorm van een drinkglas

d)

Oplosbaarheid in water

3.

Je vergelijkt olijfolie en water. Welke observatie is juist en helpt ze onderscheiden?

a)

Beiden mengen volledig zonder grensvlak

b)

Olijfolie is stroperiger dan water

c)

Water ruikt sterker dan azijn

d)

Beiden hebben gelige kleur en troebelheid

4.

Welke keuze beschrijft het begrip materie het nauwkeurigst?

a)

Alles wat massa en volume heeft

b)

Alleen vaste stoffen en vloeistoffen

c)

Alle zichtbare dingen en voorwerpen

d)

Alles wat kan oplossen in water

5.

Water is gasvormig boven 100 °C, vloeibaar bij kamertemperatuur en vast onder 0 °C. Dit gaat om:

a)

Voorwerpeigenschappen van een fles

b)

Stofeigenschappen van water

c)

Mengseleigenschappen van lucht

d)

Proceskenmerken van koken

6.

Je mengt olie met water in een bekerglas. Wat plan je als volgende stap om je conclusie te onderbouwen?

a)

Meet de massa van het lege glas

b)

Observeer of lagen zich vormen en noteer

c)

Verwarm tot 50 °C en roer niet

d)

Voeg suiker toe tot het helder wordt

7.

Kies de juiste koppeling tussen term en voorbeeld.

a)

Object – suiker; Stof – bril

b)

Stof – water; Object – drinkfles

c)

Materie – vorm; Voorwerp – gas

d)

Mengsel – zout; Zuivere stof – lucht

8.

Welke uitspraak beschrijft het verschil tussen stofeigenschappen en voorwerpeigenschappen het best?

a)

Stofeigenschappen horen bij de stof zelf

b)

Voorwerpeigenschappen zijn altijd stofspecifiek

c)

Stofeigenschappen hangen af van de vorm

d)

Voorwerpeigenschappen zijn identiek voor alle stoffen

9.

Wat is de juiste SI-eenheid voor volume in de scheikundecontext?

a)

Kubieke meter m³

b)

Liter per seconde L/s

c)

Kilogram per liter kg/L

d)

Vierkante meter m²

10.

Welke formule hoort bij massadichtheid?

a)

ρ = m / V

b)

ρ = V / m

c)

ρ = m × V

d)

ρ = m − V

11.

Je mengt olijfolie en water in een proefbuis. Wat gebeurt er vooral door een verschil in massadichtheid?

a)

De stof met kleinste massadichtheid drijft boven

b)

Beide stoffen lossen volledig in elkaar op

c)

De stof met grootste massadichtheid verdampt

d)

De lagen wisselen voortdurend van plaats

12.

Welke uitspraak over fase en temperatuur is correct?

a)

Boven het kookpunt is een stof gasvormig

b)

Onder het smeltpunt is een stof vloeibaar

c)

Tussen smelt- en kookpunt is een stof vast

d)

Onder het kookpunt is een stof altijd gas

13.

Een onbekende stof is vast bij 20 °C en wordt vloeibaar bij 801 °C. Welke eigenschap gebruik je om stoffen te onderscheiden?

a)

Smeltpunt van de stof

b)

Volume van het object

c)

Lengte van het voorwerp

d)

Kleur van het object

14.

Je hebt 1 kg lood en 1 kg plumen. Wat klopt over hun volume?

a)

Plumen hebben een groter volume dan lood

b)

Beide hebben exact hetzelfde volume

c)

Lood heeft altijd groter volume dan plumen

d)

Volume hangt niet af van massadichtheid

15.

Welke definitie past bij massadichtheid?

a)

Verhouding massa tot volume bij vaste temperatuur

b)

Temperatuur waarbij stof gas wordt uit vloeistof

c)

Temperatuur waarbij stof vloeibaar wordt uit vast

d)

Mate waarin een stof oplost in water

16.

Bij welke temperatuurverandering treedt het kookpunt op?

a)

Overgang vloeibaar naar gasvormig

b)

Overgang gas naar vloeibaar

c)

Overgang vast naar vloeibaar

d)

Overgang vloeibaar naar vast

17.

Wat is het smeltpunt van een stof?

a)

Temperatuur overgang vast naar vloeibaar

b)

Temperatuur overgang vloeibaar naar gas

c)

Verhouding tussen massa en volume

d)

Mate van glans bij belichting

18.

Welke eigenschap gebruik je om kristalsuiker van keukenzout te onderscheiden op foto’s met korrels?

a)

Deeltjesgrootte van de kristallen

b)

Kleur van de kristallen

c)

Geur van de kristallen

d)

Smaak van de kristallen

19.

Een bruistablet lost op in water en geeft gasbelletjes. Welke term hoort bij de combinatie van opgeloste stof en oplosmiddel?

a)

Een oplossing in het glas

b)

Een suspensie met belletjes

c)

Een emulsie met lagen

d)

Een mengsel zonder interactie

20.

Je mengt suiker, keukenzout, zand en krijt met water en schudt. Welke observatie is correct?

a)

Suiker en zout lossen op, zand en krijt bezinken

b)

Alle vier lossen volledig op

c)

Alle vier blijven drijven op water

d)

Alle vier vormen een olie-achtige laag

21.

Een blokje paraffine heeft massa 200 g en volume 250 cm³. Welke uitspraak is juist over de massadichtheid?

a)

Massadichtheid is 0,80 g/cm³ na berekening

b)

Massadichtheid is 1,25 g/cm³ volgens formule

c)

Massadichtheid is 200 g/cm³ uit de massa

d)

Massadichtheid is 250 g/cm³ uit het volume

22.

Welke combinatie beschrijft een oplossing correct?

a)

Oplosmiddel en opgeloste stof vormen één fase

b)

Twee vaste stoffen zonder faseverandering

c)

Vloeistof en gas die niet mengen

d)

Alle deeltjes blijven zichtbaar met het blote oog

23.

Wat gebeurt er met de deeltjesgrootte bij het malen van kristalsuiker tot poedersuiker?

a)

De deeltjes worden kleiner en korreligheid verandert

b)

De deeltjes worden groter en oplosbaarheid daalt

c)

De deeltjes blijven gelijk en structuur verandert niet

d)

De deeltjes verdampen en verdwijnen uit de stof

24.

Welke factor vergroot doorgaans de snelheid waarmee een vaste stof oplost in water?

a)

Kleinere deeltjes door verkleinen

b)

Grotere brokken zonder roeren

c)

Lagere temperatuur met stilstand

d)

Geen contact tussen stof en water

25.

Een leerling mengt zout met water en merkt dat er niets meer op de bodem ligt. Wat is de beste verklaring?

a)

Zout is opgeloste stof in het oplosmiddel

b)

Zout vormt een suspensie met zichtbare deeltjes

c)

Zout reageert chemisch en verdwijnt definitief

d)

Zout vormt een emulsie met olieachtige druppels

26.

Welke uitspraak over oplosbaarheid is juist?

a)

Het is de maximale hoeveelheid stof die kan oplossen

b)

Het is de snelheid waarmee roeren deeltjes beweegt

c)

Het is de kleurverandering tijdens het mengen

d)

Het is de glans die een vaste stof vertoont

27.

Je hebt twee poeders: beide wit, maar één lost snel op en het andere nauwelijks. Welke eigenschap verschilt vooral?

a)

Oplosbaarheid in het gebruikte oplosmiddel

b)

Aggregatietoestand bij kamertemperatuur

c)

Kleur en glans van de poeders

d)

Massa van het gebruikte bekerglas

28.

Een proef: je vergelijkt suikerklontjes met suikerpoeder in warm water. Welk plan is het meest geschikt om te onderzoeken welk sneller oplost?

a)

Zelfde massa, zelfde temperatuur, roeren even lang

b)

Verschillende massa’s, wisselende temperaturen

c)

Alleen klontjes roeren, poeder niet roeren

d)

Onbekende hoeveelheden, zonder tijd bijhouden

29.

Welke uitspraak beschrijft een homogeen mengsel het best?

a)

De componenten zijn zichtbaar met het blote oog

b)

De componenten zijn niet te onderscheiden met het blote oog

c)

De componenten reageren altijd chemisch met elkaar

d)

De componenten hebben elk een ander aggregatietoestand

30.

Brons is gemaakt uit koper en tin. Hoe noem je zo’n homogeen mengsel van twee metalen?

a)

Een suspensie van vaste metalen

b)

Een legering van vaste metalen

c)

Een colloïde van vaste metalen

d)

Een emulsie van vaste metalen

31.

Wat is een kenmerk van heterogene mengsels?

a)

Componenten zijn niet te onderscheiden

b)

Bestaan uit één zuivere component

c)

Deeltjes zijn volledig opgelost

d)

Hebben altijd dezelfde kleur

32.

Welke combinatie hoort bij rook in termen van fasen?

a)

Vaste deeltjes in een gasfase

b)

Gasdeeltjes in een gasfase

c)

Vloeistofdeeltjes in een gasfase

d)

Vaste deeltjes in een vloeistof

33.

Nevel is het best te beschrijven als:

a)

Vloeistofdeeltjes in een gas

b)

Gasdeeltjes in een vloeistof

c)

Vaste deeltjes in een gas

d)

Twee vloeistoffen gemengd

34.

Wat is het verschil tussen nevel en schuim?

a)

Bij nevel is gas oplosmiddel, bij schuim vloeistof

b)

Bij nevel is vloeistof oplosmiddel, bij schuim gas

c)

Nevel is homogeen, schuim is homogeen

d)

Schuim is vaste stof in gas, nevel is gas in vaste

35.

Welke beschrijving past bij een suspensie?

a)

Vaste deeltjes verdeeld in een vloeistof

b)

Twee vloeistoffen die mengen volledig

c)

Gasdeeltjes fijn verdeeld in gas

d)

Vloeistofdeeltjes in gasfase stabiel

36.

Welke optie hoort bij een emulsie?

a)

Twee vloeistoffen die niet mengen

b)

Vaste deeltjes in een gasfase

c)

Gasdeeltjes in een vloeistof

d)

Vloeistof opgelost tot zuivere stof

37.

Een voorbeeld van een emulsie in de keuken is:

a)

Vinaigrette van olie en azijn

b)

Opgeklopt eiwit tot schuim

c)

Mist in de ochtendlucht

d)

Rook van een kampvuur

38.

Welke uitspraak beschrijft een homogeen mengsel het best?

a)

Bestaat uit één fase zonder zichtbare delen

b)

Bestaat uit twee fasen met zichtbare lagen

c)

Bevat vaste deeltjes die snel bezinken

d)

Is altijd samengesteld uit twee vaste stoffen

39.

Welke combinatie is een oplossing?

a)

Suiker opgelost in water

b)

Zand gemengd met water

c)

Olie gemengd met water

d)

Rook in de lucht

40.

Welke stofcombinatie vormt een legering?

a)

Tin gemengd met koper

b)

Water gemengd met zout

c)

Alcohol gemengd met water

d)

Lucht gemengd met waterdamp

41.

Wat is rook in termen van mengseltype?

a)

Vaste deeltjes in gas

b)

Gas in vloeistof

c)

Vloeistof in vloeistof

d)

Gas in gas

42.

Welke beschrijving past bij nevel?

a)

Vloeistofdruppeltjes in gas

b)

Gasbelletjes in vloeistof

c)

Vaste deeltjes in vloeistof

d)

Vaste deeltjes in gas

43.

Wat is schuim zoals een bierkraag?

a)

Gasbelletjes in vloeistof

b)

Vloeistofdruppels in gas

c)

Vaste deeltjes in gas

d)

Vaste deeltjes in vloeistof

44.

Welke uitspraak over suspensie is correct?

a)

Vaste deeltjes in vloeistof

b)

Vloeistofdruppels in vloeistof

c)

Gas in vaste stof

d)

Vaste deeltjes in gas

45.

Wat typeert een emulsie?

a)

Niet-mengbare vloeistoffen

b)

Mengbare vaste stoffen

c)

Gas gemengd met gas

d)

Vaste deeltjes in gas

46.

Een aerosol kan het best worden omschreven als:

a)

Zeer kleine deeltjes in gas

b)

Gasbellen in vaste stof

c)

Vloeistoflagen in vloeistof

d)

Vaste deeltjes in vaste stof

47.

Welke situatie resulteert in een heterogeen mengsel?

a)

Olie gemengd met water

b)

Suiker opgelost in thee

c)

Alcohol gemengd met water

d)

Zout opgelost in water

48.

Welke uitspraak beschrijft een zuivere stof het best?

a)

Bestaat uit één soort deeltjes

b)

Bestaat uit twee gemengde stoffen

c)

Verandert bij elke temperatuur

d)

Is altijd zichtbaar gelaagd

49.

Wat is het belangrijkste verschil tussen homogeen en heterogeen mengsel?

a)

Zichtbare fasegrenzen

b)

Aantal componenten

c)

Kleur van het mengsel

d)

Aggregatietoestand

50.

Welke scheidingstechniek steunt op verschil in deeltjesgrootte zonder filterpapier?

a)

Zeven van zand en schelpen

b)

Decanteren van wijn

c)

Centrifugeren van bloed

d)

Destilleren van water

51.

Bij filtratie heet de vloeistof die door het filter gaat:

a)

Filtraat

b)

Residuestof

c)

Destillaat

d)

Extract

52.

Welke redenering verklaart decanteren correct bij rode wijn?

a)

Vaste deeltjes zinken door hogere massadichtheid

b)

Vaste deeltjes lossen volledig op in wijn

c)

Vaste deeltjes stijgen door lagere temperatuur

d)

Vaste deeltjes verdwijnen door verdamping

53.

Centrifugeren versnelt scheiding omdat…

a)

De draaiing het effect van zwaartekracht versterkt

b)

De temperatuur altijd sterk daalt

c)

De druk alle lagen gelijk maakt

d)

De beweging alle deeltjes oplost

54.

Welke component blijft achter bij filtratie van een vast-vloeistof mengsel?

a)

Het residu

b)

Het plasma

c)

Het destillaat

d)

De emulsie

55.

Waarom is centrifugeren geschikt om bloedcellen van plasma te scheiden?

a)

Onderdelen hebben verschillende massadichtheid

b)

Onderdelen hebben gelijke oplosbaarheid

c)

Onderdelen hebben identieke grootte

d)

Onderdelen hebben dezelfde viscositeit

56.

Welke eigenschap wordt bij indampen benut om opgeloste stoffen van een vloeistof te scheiden?

a)

Verschil in kookpunt tussen componenten

b)

Verschil in dichtheid van de componenten

c)

Verschil in magnetische aantrekkingskracht

d)

Verschil in elektrische geleiding

57.

Je hebt een zoutoplossing. Welke eenvoudige procedure leidt tot vaste zoutkristallen?

a)

Verhitten tot de vloeistof verdampt

b)

Toevoegen van een niet-polaire vloeistof

c)

Afschermen met een magneetveld

d)

Schudden tot kristallen neerslaan

58.

Leg uit waarom indampen niet werkt bij twee vloeistoffen met bijna gelijke kookpunten, en kies de beste reden.

a)

Beide vloeistoffen verdampen bijna tegelijk

b)

De vaste stof lost niet meer op

c)

Er ontstaat altijd een chemische reactie

d)

De dichtheden worden identiek bij verhitting

59.

Welke scheidingstechniek gebruik je om grote en kleine stukjes in een mengsel van noten en rozijnen te scheiden?

a)

Sorteren met de hand

b)

Zeven met fijn gaas

c)

Filtreren met filterpapier

d)

Decanteren door afgieten

60.

Welke eigenschap ligt aan de basis van zeven?

a)

Massadichtheid van deeltjes

b)

Deeltjesgrootte van componenten

c)

Kookpunt van vloeistoffen

d)

Oplosbaarheid van stoffen

61.

Je hebt zand gemengd met water. Welke techniek verwijdert het zand het meest rechtstreeks?

a)

Centrifugeren van het mengsel

b)

Zeven door een zeef

c)

Filtreren met filterpapier

d)

Decanteren van de bovenlaag

62.

Welke bewering over decanteren is correct?

a)

Het scheidt op verschil in kookpunt

b)

Het scheidt op verschil in deeltjesgrootte

c)

Het scheidt op verschil in massadichtheid

d)

Het scheidt op verschil in oplosbaarheid

63.

Bij centrifugeren worden deeltjes sneller gescheiden omdat...

a)

de temperatuur sterk stijgt

b)

de zwaartekracht kunstmatig toeneemt

c)

het kookpunt van componenten daalt

d)

deeltjes chemisch reageren

64.

Welke techniek past het best bij het scheiden van olie en water zonder hulpmiddelen?

a)

Sorteren met pincet

b)

Zeven door keukenzeef

c)

Decanteren door afgieten

d)

Filtreren door papier

65.

Je wilt bodembezinksel uit wijn verwijderen zonder de wijn volledig te verliezen. Welke techniek is geschikt?

a)

Decanteren van de heldere laag

b)

Zeven door grove zeef

c)

Sorteren met pincet

d)

Centrifugeren zonder afgieten

66.

Welke combinatie is juist?

a)

Filtreren — heterogeen mengsel

b)

Zeven — homogeen mengsel

c)

Decanteren — oplossing met gelijke dichtheid

d)

Centrifugeren — vaste stoffen lossen op

67.

Wat is het belangrijkste verschil tussen filtreren en zeven?

a)

Filtreren gebruikt poreus papier

b)

Zeven gebruikt warmtebron

c)

Filtreren berust op kookpunt

d)

Zeven berust op massadichtheid

68.

Een suspensie met kleideeltjes in water moet snel helder worden. Welke keuze geeft de grootste scheidingssnelheid?

a)

Rustig laten bezinken

b)

Decanteren na bezinken

c)

Zeven door metalen zeef

d)

Centrifugeren in een rotor

69.

Welke eigenschap maakt indampen geschikt om zout uit zeewater te halen?

a)

Verschil in kookpunt tussen water en zout

b)

Verschil in dichtheid tussen water en zout

c)

Verschil in kleur tussen water en zout

d)

Verschil in magnetisme tussen water en zout

70.

Wat is het belangrijkste verschil tussen indampen en destilleren?

a)

Indampen bewaart het vaste residu, destilleren bewaart het gas

b)

Indampen verdampt oplosmiddel zonder opvang, destilleren vangt damp als destillaat

c)

Indampen gebruikt filterpapier, destilleren gebruikt zeef

d)

Indampen werkt enkel bij heterogene mengsels, destilleren bij alle mengsels

71.

Welke term hoort bij de opgevangen vloeistof na destilleren?

a)

Filtraat

b)

Destillaat

c)

Extract

d)

Afscheiding

72.

Voor welk type mengsels zijn indampen en destilleren vooral geschikt?

a)

Heterogene suspensies

b)

Homogene mengsels

c)

Colloïdale mengsels

d)

Emulsies met vaste deeltjes

73.

Twee vloeistoffen vormen een homogeen mengsel: ethanol (kookpunt 78 °C) en water (kookpunt 100 °C). Welke techniek scheidt ze terwijl beide componenten behouden blijven?

a)

Indampen, omdat water sneller verdampt

b)

Destilleren, op basis van verschil in kookpunt

c)

Filtreren, omdat ethanol kleiner is

d)

Decanteren, omdat ethanol lichter is

74.

Je hebt een oplossing van kopersulfaat in water en je wil het vaste zout terugwinnen. Welke methode kies je?

a)

Filtreren voor het vaste zout

b)

Indampen tot water verdampt

c)

Decanteren van de bovenlaag

d)

Centrifugeren voor snellere scheiding

75.

Welke uitspraak over kookpunt is correct in de context van destilleren?

a)

De component met het laagste kookpunt condenseert als laatste

b)

De component met het hoogste kookpunt verdampt het eerst

c)

De component met het laagste kookpunt verdampt het eerst

d)

Alle componenten verdampen gelijktijdig bij één temperatuur

76.

Waarom is filtratie ongeschikt voor een suikeroplossing terwijl indampen wel werkt?

a)

Suiker lost op en vormt zichtbare klonten

b)

De opgeloste suikerdeeltjes zijn te klein voor een filter

c)

Filtratie kookt de suiker weg

d)

Indampen vernietigt de suiker en maakt het filter overbodig

77.

Je moet een mengsel scheiden van twee vloeistoffen met bijna gelijke kookpunten. Welke aanpak is het meest geschikt?

a)

Eenvoudige destillatie met grote temperatuurstappen

b)

Gefractioneerde destillatie met kolom

c)

Indampen tot één vloeistof overblijft

d)

Filtratie met fijn membraan