wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

bs 1 en 2

Total questions: 36

Worksheet time: 2hrs 16mins

Name
Class
Date
1.

Hoe noem je de bovenste laag van de huid?

a)

Opperhuid

b)

Lederhuid

c)

Onderhuids bindweefsel

d)

Kiemlaag

2.
Wat gebeurd er als hoorncellen te snel afschilferen?.
a)
Roos
b)
Droge hoofdhuid 
c)
Vette roos
3.

Waarvoor dienen pigmentcellen?

a)

Betere dekking van de haarkleur

b)

Bescherming tegen ultraviolette straling

c)

Stimulering haargroei

4.
Welke klieren zitten er in je huid?
a)
Zweetklieren, talgklieren en enzymklieren.
b)
Zweetklieren en talgklieren.
c)
Zweetklieren en haarklieren.
d)
Haarklieren en talgklieren.
5.
Eelt is een aandoening van de huid.
a)
Juist
b)
Onjuist
6.
Dankzij zweetklieren kan je lichaam afkoelen.
a)
Juist
b)
Onjuist
7.
Je huid heeft een herkenningsfunctie.  Leg uit.
a)
Je zenuwuiteinden, ze zijn uniek voor ieder mens.
b)
De vingerafdrukken, ze zijn uniek voor ieder mens.
c)
De okselharen, ze zijn uniek voor ieder mens.
8.

Welk nummer is de zweetklier

a)

6

b)

3

c)

8

d)

5

9.

nummer 2 is?

a)

haarvat

b)

bloedvat

c)

zenuw

d)

zintuig

10.
Het drukzintuig is een onderdeel van de huid.
a)
Juist
b)
Onjuist
11.
Iets waar je zintuigen op reageren heet een ...
a)
Impuls
b)
Seintje
c)
Prikkel
d)
Zenuw
12.
Bewust worden gebeurt in de spieren.
a)
Juist
b)
Onjuist
13.
Bij welk zintuig hoort deze afbeelding?
a)
Gehoor-zintuig
b)
Gezichts-zintuig
c)
Reuk-zintuig
d)
Smaak-zintuig
14.
Met een droge tong proef je even goed als met een vochtige tong.
a)
Juist
b)
Onjuist
15.

Uit welke 2 lagen bestaat de huid?

a)

Lederhuid

b)

Onderhuids bindweefsel

c)

Opperhuid

d)

vet

16.

Uit welke 2 lagen bestaat de opperhuid?

a)

Kiemlaag

b)

Lederhuid

c)

Opperhuid

d)

Hoornlaag

17.

De hoornlaag bestaat uit:

a)

Dode cellen

b)

Levende cellen

18.

De kiemlaag bestaat uit:

a)

Dode cellen

b)

Levende cellen

19.

De functie van de hoornlaag is...

a)

Het beschermen tegen beschadiging, uitdroging en ziektes.

b)

Het delen van de cellen om de huid te vernieuwen.

20.

De drukzintuigen liggen...

a)

diep in de huid.

b)

onder de opperhuid.

21.

Wat is de functie van zweet?

a)

Het afkoelen van je lichaam door verdamping.

b)

Het opwarmen van je lichaam door verdamping.

c)

Het afkoelen van je lichaam door een isolerend laagje te vormen.

d)

Het opwarmen van je lichaam door een isolerend laagje te vormen.

22.

In onderhuids bindweefsel....

a)

Liggen vetten opgeslagen als reservevoedsel.

b)

Liggen eiwitten opgeslagen als reservevoedsel.

c)

Liggen suikers opgeslagen als reservevoedsel.

23.

Wat kun je met je zintuigen doen?

a)

informatie uit je omgeving zien

b)

informatie uit je omgeving waarnemen

c)

informatie uit je omgeving horen

24.

Elk zintuig is gevoelig voor

a)

dezelfde prikkel

b)

veel prikkels

c)

één eigen prikkel

d)

geen prikkel

25.

Is dit een prikkel of een impuls?

a)

prikkel

b)

impuls

26.

Welke antwoorden zijn een voorbeeld van prikkels? Meerdere antwoorden zijn goed.

a)

Licht en geur

b)

Pijn en geluid

c)

Huid en tong

d)

Smaakzintuig en reukzintuig

27.

Welke zintuigen liggen er in je huid?

Er zijn meerdere antwoorden goed!

a)

warmtezintuig

b)

smaakzintuig

c)

pijnzintuig

d)

tastzintuig

e)

lichtzintuig

28.

Welke zenuwen vervoeren een impuls vanaf je zintuigen naar je hersenen?

a)

gevoelszenuwen

b)

bewegingszenuwen

29.

Je telefoon gaat af en je pakt met je hand de telefoon op. Wat is hier de prikkel?

a)

Je telefoon

b)

Het geluid van de telefoon

c)

Je hand die de telefoon oppakt.

30.

Welke zenuwen vervoeren een impuls vanaf je hersenen naar je spieren?

a)

gevoelszenuwen

b)

bewegingszenuwen

31.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)

hersenen en zenuwen

b)

hersenen en ruggenmerg

c)

ruugenmerg en zenuwen

d)

hersenen, ruggenmerg en zenuwen

32.

je zintuigen vangen elke (a)   uit je omgeving op en geven de informatie door aan de hersenen

33.

Wat is de drempelwaarde?

a)

Een signaal van buitenaf

b)

Een voorbeeld van een sleutelprikkel

c)

Minimale sterkte om een impuls naar de hersenen te sturen

d)

De wil om te reageren

34.

Een voorbeeld van een inwendige prikkel is 'honger'.

a)

Waar

b)

Niet waar

35.

Wat is een respons?

a)

Een signaal

b)

De reactie op een signaal

c)

Een prikkel die een mens of dier vertoont

36.

Duid alle juiste antwoorden aan.

Om welke prikkel gaat het als je frieten ruikt?

a)

thermisch

b)

mechanisch

c)

chemisch

d)

visueel