wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3T oefentoets ordening

Total questions: 46

Worksheet time: 1hrs 13mins

Name
Class
Date
1.

Bij de ordening van de organisme wordt gebruik gemaakt van vier rijken. Welke zijn dat?

a)

Planten

b)

Geleedpotigen

c)

Dieren

d)

Bacteriën

e)

Schimmels

2.

In de afbeelding zie je een dier. Tot welk rijk, welke stam en welke klasse behoort dit organisme?

a)

Rijk: dieren, Stam: geleedpotigen en Klasse: insecten

b)

Rijk: dieren, Stam gewervelden en Klasse: zoogdieren

c)

Rijk: dieren, Stam: gewervelden en Klasse: insecten

d)

Rijk: dieren, Stam: geleedpotigen en Klasse: kreeftachtigen

3.

In de afbeelding kun je een cel zien. Tot welk rijk behoort een organisme met dit soort cellen?

(a)  

4.

Weekdieren leven alleen in het water.

a)

Waar

b)

Niet waar

5.

Bij de bereiding van brood worden schimmels gebruikt.

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

Er zijn drie stammen van sporenplanten.

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

Bij zaadplanten komen bloemen voor.

a)

Waar

b)

Niet waar

8.

Stekelhuidigen zijn veelzijdig symmetrisch.

a)

Waar

b)

Niet waar

9.

In de afbeelding kun je een deel van een plant zien. Tot welke stam behoord deze plant?

a)

Tot de mossen

b)

Tot de varens

c)

Tot de zaadplanten

d)

Tot de paardenstaarten

10.

Waar komen amfibieën voor?

a)

Op het land

b)

In de lucht

c)

In het water

11.

Onder welke stam valt het organisme in de afbeelding?

(a)  

12.

In de afbeelding kun je een stamboom zien van dieren. Ouasim en Kim doen een uitspraak over deze stamboom.

Ouasim: "De tandwalvissen en de baleinwalvissen behoren tot dezelfde soort."

Kim: "De zwijnen en pekari's zijn familie van elkaar."

Wie heeft/hebben er gelijk?

a)

Alleen Ouasim

b)

Alleen Kim

c)

Beide hebben gelijk

d)

Niemand heeft gelijk

13.

Hieronder staan enkele kenmerken die voorkomen bij organisme:

1) Elke cel heeft bladgroenkorrels.

2) Elke cel heeft een celwand.

3) Elke cel heeft een celkern.

Welke kenmerken komen voor bij dieren?

a)

Alleen kenmerk 1

b)

Alleen kenmerk 2

c)

Alleen kenmerk 3

d)

Kenmerken 1 en 2

e)

Kenmerken 2 en 3

14.

Welke kenmerken heeft een bacterie cel?

(a)  

15.

Een bacterie deelt zich zelf elke 30 minuten. Dat betekent dat als we beginnen met een bacterie dan er na 30 minuten 2 bacteriën zijn en na 60 minuten (1 uur) zijn er 4.

Hoeveel bacteriën zijn er na 4 uur?

(a)  

16.

Benoem twee kenmerken van een schimmel.

4 lines
17.

In de afbeelding zie je een organisme. Welke uitspraken kloppen?

a)

Deze schimmel is meercellig.

b)

Deze schimmel plant zich voor door middel van sporen.

c)

Deze schimmel is eencellig.

d)

Dit is geen schimmel.

18.

Welk dier is niet-symetrisch?

a)

Kwal

b)

Slak

c)

Gele buis spons

d)

Zee-egel

19.

In de afbeelding zie je een dier. Wat voor skelet heeft dit dier?

a)

Een inwendig skelet.

b)

Een uitwendig skelet.

c)

Geen skelet.

20.

Wat voor soort eieren legt een kip?

a)

Eieren zonder schaal.

b)

Eieren met een leerachtige schaal.

c)

Eieren met een kalk schaal.

d)

Een kip legt geen eieren.

21.

Welke stappen moet je door lopen in dit determinatie schema om bij de Kievit te komen?

(a)  

22.

Welke stelling is juist over de zaadplanten ?

a)

Ze hebben bloemen en planten zich voort doormiddel van zaden

b)

Ze hebben bloemen en planten zich voort doormiddel van sporen

c)

Ze hebben geen bloemen en planten zich voort doormiddel van zaden

d)

Ze hebben geen bloemen en planten zich voort doormiddel van sporen

23.

Een moerasvaren is een sporenplant.

a)

Juist

b)

Onjuist

24.

Welke stelling is juist over schimmels?

a)

Cellen van schimmels hebben bladgroenkorrels maar geen celwand en geen celkern

b)

Cellen van schimmels hebben wel een celwand en een celkern maar geen bladgroenkorrels

c)

Schimmels hebben een celkern, bladgroenkorrels en een celwand

25.

Bacterien in je darmen helpen bij de vertering bij voedsel

a)

Juist

b)

Onjuist

26.

Stelling 1:Dina zegt dat sla kan bederven door bacteriën, het stinkt dan.

Stelling 2:Robin zegt dat bij de bereiding van yoghurt bacteriën worden gebruikt

Welke van de stellingen is juist ?

a)

Alleen stelling 1 is juist

b)

Alleen stelling 2 is juist

c)

Beide onjuist

d)

Beide juist

27.

Bekijk het dier op de foto:

Tot welke groep gewerwelde dieren behoort dit dier ?

a)

Vissen

b)

Vogels

c)

Reptielen

d)

Zoogdieren

28.

Kijk goed naar de afbeelding. Welk type cellen is dit?

a)

dieren

b)

planten

c)

schimmels

d)

bacteriën

29.

Kijk goed naar de afbeelding. Welke cel kan een bacterie zijn?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

geen van deze

30.

Prokaryoten hebben geen celkern

a)

Waar

b)

Niet waar

31.

Bij welk dierrijk past dit dier? (Vis)

a)

Sponsdieren

b)

Geleedpotigen

c)

Weekdieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Gewervelden

32.

Wat voor symmetrie heeft het lieveheersbeestje?

a)

Tweezijdig symmetrisch

b)

Veelzijdig symmetrisch

c)

Niet symmetrisch

d)

Vierzijdig symmetrisch

33.

Wat voor symmetrie heeft de rode vingerspons?

a)

Veelzijdig symmetrisch

b)

Niet symmetrisch

c)

Tweezijdig symmetrisch

d)

Vijfzijdig symmetrisch

34.

Wat voor skelet bevat dit dier?

a)

Inwendig skelet

b)

Uitwendig skelet

c)

Geen skelet

35.

Bij welk dierrijk past dit dier? (Zee-egel)

a)

Geleedpotigen

b)

Stekelhuidigen

c)

Weekdieren

d)

Neteldieren

e)

Sponsdieren

36.

Welk gemeenschappelijk kenmerk hebben de volgende dieren: snoek / honingbij / bruine pad / zilvermeeuw

a)

ze halen adem door middel van kieuwen

b)

ze zijn koudbloedig

c)

ze leggen eieren

d)

ze hebben geen wervels

37.

Welke onderstaande groep behoort tot de ongewervelden?

a)

insecten

b)

vissen

c)

vogels

d)

amfibieën

38.

Bij welke geleedpotige bestaat het gehele lichaam uit segmenten?

a)

Kreeftachtigen

b)

Spinachtigen

c)

Insecten

d)

Duizendpoten

39.

Determineer het organisme op de afbeelding. Volg de stappen en schrijf de stappen op de juiste manier op.

Het begin is: 1b -> 2b -> dieren, 6. Begin jouw antwoord met 6.

(a)  

40.

Waar let men op bij de indeling van de geleedpotigen? 2 antwoorden mogelijk.

a)

Waarmee de huid is bedekt

b)

Het aantal poten

c)

Het aantal segmenten

d)

De manier van voortplanten

41.

Welke klasse binnen de gewervelden kunnen ademhalen met de huid?

a)

Vissen

b)

Vogels

c)

Amfibieën

d)

Reptielen

42.

In de afbeelding zie je vier diagrammen.

Welk diagram geeft een deel van de indeling van de planten juist weer?

a)

a

b)

b

c)

c

d)

d

43.
Het leven op het land was er eerder dan het leven in het water.
a)
Waar
b)
Niet waar
44.

Wat was de eerste vorm van leven op aarde?

a)

Planten

b)

Eencellige organismen

c)

Vissen

d)

Dinosaurussen

45.

Aan welke groep zijn de gorilla’s het meest verwant volgens de stamboom?

a)

aan de apen van de oude wereld

b)

aan de apen van de nieuwe wereld

c)

aan de chimpansees

d)

aan de gibbons

46.

Welke stellingen kloppen? (meerder antwoorden mogelijk)

a)

Haaien zijn eerder ontstaan dan beenvissen

b)

Beenvissen zijn meer verwant aan haaien dan aan amfibieën

c)

Amfibieën zijn een voorouder van zoogdieren

d)

Reptielen en vogels hebben een gemeenschappelijke voorouder