wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Financieel mm- FOMA

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Welke post hoort op de activazijde van de balans van een bedrijf?

a)

Nog te betalen leveranciersfacturen

b)

Langlopende lening voor nieuw pand

c)

Eigen vermogen ingebracht door eigenaar

d)

Voorraad verse ingrediënten en dranken

2.

Een negatieve banksaldo op de balans wordt geclassificeerd als:

a)

Lang vreemd vermogen op creditzijde

b)

Kort vreemd vermogen op creditzijde

c)

Vlottende activa op debetzijde

d)

Vaste activa op debetzijde

3.

Op de beginbalans staat ‘Totaal Activa = Totaal Passiva’. Wat is de beste uitleg voor dit evenwicht?

a)

Debetzijde som gelijk aan creditzijde som

b)

Activa zijn altijd groter dan passiva in start

c)

Passiva zijn altijd groter dan activa in start

d)

Evenwicht ontstaat alleen bij winstgevende bedrijven

4.

Gegeven: Hypotheek €160.000, Bank €15.000, Crediteuren €5.000, Nog te betalen btw €3.500, Totaal Activa €274.900. Wat is het eigen vermogen?

a)

€91.400 berekend als activa minus schulden

b)

€183.500 door optellen van alle schulden

c)

€274.900 want dat is totale activa

d)

€160.000 omdat hypotheek is lang vreemd vermogen

5.

Een restaurant doet btw-aangifte per kwartaal. Wat geeft deze aangifte primair weer?

a)

Specificatie van loonkosten en afschrijvingskosten

b)

Verrekening van omzetbelasting met voorbelasting

c)

Totaal van incidentele resultaten per kwartaal

d)

Overzicht van voorraadverschillen en kasmutaties

6.

Welke vraag helpt je te bepalen of een kostpost variabel is binnen een foodservicebedrijf?

a)

Worden de kosten maandelijks gefactureerd?

b)

Veranderen de kosten wanneer de omzet verandert?

c)

Zijn de kosten opgenomen in de jaarrekening?

d)

Is de kostpost intern of extern gecontracteerd?

7.

Een bedrijf boekt huisvestingskosten zoals huur en energie. Hoe categoriseer je deze kosten het best?

a)

Vaste en indirecte kosten

b)

Variabele en directe kosten

c)

Variabele en indirecte kosten

d)

Vaste en directe kosten

8.

Welke formule gebruik je om de brutowinstmarge in procenten van een product te berekenen, uitgaande van netto verkoopprijs (NVP)?

a)

NVP (%) = inkoopmarge (%) + brutowinstmarge (%)

b)

Brutowinst (%) = NVP (%) + inkoopwaarde (%)

c)

Inkoopmarge (%) = brutowinstmarge (%) + NVP (%)

d)

NVP (%) = brutowinstmarge (%) − inkoopmarge (%)

9.

Wat bereken je in stap 3 van het exploitatiebegrotingsproces?

a)

De totale bedrijfskosten per categorie

b)

De geschatte brutowinst uit omzet minus inkoopwaarde

c)

De financieringsmix voor komende projecten

d)

De noodzakelijke investeringen voor lange termijn

10.

Hoe bepaal je het bedrijfsresultaat (nettowinst) volgens stap 5?

a)

Bedrijfskosten vervangen door investeringen

b)

Inkoopkosten optellen bij afschrijvingen

c)

Omzet verhogen met financieringskosten

d)

Brutowinst verminderen met bedrijfskosten

11.

Wat is het praktische nut van een exploitatiebegroting voor een bedrijfsleider?

a)

Biedt handvatten om tijdig in te grijpen

b)

Vervangt de financiële administratie volledig

c)

Geeft enkel juridisch verplichte overzichten

d)

Elimineert alle onzekerheden en risico’s

12.

Waarom is tijdige signalering van afwijkingen belangrijk in Fase 3?

a)

Verhogen van verkoopprijzen direct

b)

Opschorten alle investeringsplannen

c)

Bijsturen om binnen budget te blijven

d)

Vermijden van personeelswisselingen

13.

Wat is de rol van netto omzet in het verkeerslichtsysteem?

a)

Toets voor voedselveiligheidssystemen

b)

Instrument voor personeelsplanning

c)

Resultaat van marketingcampagne meten

d)

Basis voor bedrijfsvoering monitoren

14.

Welke beschrijving past bij de Do-fase voor financiële beheersing in de keukenproductie?

a)

Beleid en targets vastleggen

b)

Procedures uitvoeren en kosten registreren

c)

Oorzakenonderzoek bij afwijkingen

d)

Indicatoren vergelijken met budgetten

15.

Wat is een passend voorbeeld van Plan in foodservice-inkoop?

a)

Corrigerende leveranciersselectie uitvoeren

b)

Afwijkingen tegen het budget controleren

c)

Leveringen ontvangen en boeken

d)

Normen voor inkoopprijzen vastleggen