NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsNederlands 1C5
Total questions: 15
Worksheet time: 8mins
Name
Class
Date
1.
Het lijdend voorwerp vind je door?
a)
Wie/wat + onderwerp.
b)
Wie/Wat+ meewerkend voorwerp+ gezegde.
c)
Wie/wat+ gezegde+ onderwerp.
d)
Door er aan of voor voor te zetten.
2.
Zoek het onderwerp:
De schapen van de buurman waren op hol geslagen.
De schapen van de buurman waren op hol geslagen.
a)
Schapen.
b)
De schapen.
c)
De buurman.
d)
De schapen van de buurman
3.
Zoek het gezegde:
Piet wilde gister zijn nieuwe fiets op gaan halen.
Piet wilde gister zijn nieuwe fiets op gaan halen.
a)
Wilde gaan halen.
b)
Wilde op gaan halen.
c)
Wilde gaan.
d)
Gaan halen.
4.
Stelling :
Een lijdend voorwerp kan beginnen met een voorzetsel.
Een lijdend voorwerp kan beginnen met een voorzetsel.
a)
Dat klopt!
b)
Dat klopt niet!
5.
Zoek het lijdend voorwerp:
De hond wilde heel graag haar bot opgraven.
De hond wilde heel graag haar bot opgraven.
a)
Bot
b)
Haar bot.
c)
Heel.
6.
Zoek het lijdend voorwerp:
Koop voor mij ook een frietje!
Koop voor mij ook een frietje!
a)
Er is hier geen lijdend voorwerp.
b)
Voor mij ook.
c)
Frietje.
d)
Een frietje.
7.
Jeroen slaapt elke zondagochtend uit.
Is het woordje uit hier een voorzetsel?
Is het woordje uit hier een voorzetsel?
a)
Ja.
b)
Nee.
8.
Wat zijn bijvoegelijke naamwoorden?
a)
Woorden waar je de, het of een voor kan zetten.
b)
Woorden die iets zeggen over een naam.
c)
Woorden die iets zeggen over de plek waar je bent.
d)
Woorden die iets zeggen over het zelfstandig naamwoord.
9.
Als er maar een werkwoord in de zin staat ......
a)
Dan is dit woord het hulpwerkwoord.
b)
Dan is dit woord het zelfstandig werkwoord.
10.
Benoem de gekleurde woorden:
Na de meivakantie moet mijn oudste broer aan zijn examens beginnen.
Na de meivakantie moet mijn oudste broer aan zijn examens beginnen.
a)
Hww, znw, lw, ww.
b)
Vz, bnw, bnw, hww.
c)
Vz, znw, bnw, zww.
11.
Is de volgende zin goed:
Houdt je van paprika?
Houdt je van paprika?
a)
Ja
b)
Nee
12.
Hoe schrijf je auto en ongeluk aan elkaar?
a)
autoongeluk
b)
auto-ongeluk.
c)
Je schrijft auto en ongeluk altijd los.
13.
Hoe schrijf je het meervoud van zee?
a)
Zeën.
b)
Zeeën.
c)
Zeëen.
d)
Zees.
14.
Hoe schrijf je het verkleinwoord van koning?
a)
Koningje
b)
Koningkje
c)
Koningetje.
d)
Koninkje
15.
Maak het woord af:
pen...ioen.
pen...ioen.
a)
pentsioen.
b)
pensioen.
c)
penstioen.
d)
pentioen.
Reset
