NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsMaerlant examenwoorden 5H/6V pag. 47 (deel 1)
Total questions: 23
Worksheet time: 8mins
Name
Class
Date
1.
weging van voor- en nadelen of mogelijke oplossing om tot een keuze te komen
a)
afweging
b)
conclusie
c)
oplossing
d)
onderbouwing
2.
vermaken
a)
amuseren
b)
activeren
c)
nuanceren
d)
informeren
3.
beschouwing van overeenkomsten of verschillen tussen twee standpunten, verschijnsels of oplossingen worden met elkaar vergeleken
a)
analogie
b)
verklaring
c)
vaststelling
d)
verwijt
4.
kort, kenmerkend of grappig verhaal
a)
anekdote
b)
bewering
c)
onderwerp
d)
ironie
5.
een uitspraak waarmee de schrijver een standpunt onderbouwt
a)
argument
b)
stelling
c)
bedenking
d)
argumentatieschema
6.
samenhang tussen standpunt en argumenten
a)
argumentatieschema
b)
drogreden
c)
argument
d)
functiewoord
7.
antwoord op een gestelde vraag
a)
beantwoording
b)
citaat
c)
conclusie
d)
bewering
8.
bezwaar / een reactie op een eerdere bewering of argumentatie
a)
bedenking
b)
beoordeling
c)
bewering
d)
uitwerking
9.
nauwkeurige omschrijving van een bepaalde term
a)
definitie
b)
bewering
c)
conclusie
d)
factor
10.
tekst waarin interpretaties, verklaringen en opinies ter overweging worden aangeboden; gedeeltelijk objectief, gedeeltelijk subjectief; bedoeld om een verschijnsel van verschillende kanten te belichten
a)
beschouwing
b)
betoog
c)
uiteenzetting
11.
tekst met een duidelijk standpunt, dat met voldoende steekhoudende argumentatie wordt gerechtvaardigd; zeer subjectief, bedoeld om te overtuigen
a)
betoog
b)
beschouwing
c)
uiteenzetting
12.
mening die met argumenten wordt onderbouwd
a)
bewering
b)
argument
c)
anekdote
d)
argumentatieschema
13.
het aantonen met feiten (uit onderzoek) van de juistheid van een stelling of theorie
a)
bewijsvoering
b)
beoordeling
c)
bedenking
d)
beschouwing
14.
bedenking / een reactie op een eerder standpunt of argumentatie
a)
bewering
b)
beoordeling
c)
uitwerking
d)
argument
15.
omstandigheid of gebeurtenis die de schrijver ertoe heeft gebracht zijn tekst te schrijven
a)
aanleiding
b)
inleiding
c)
afleiding
d)
bedenking
16.
argument van de persoonlijke aanval
a)
argumentum ad hominem
b)
drogreden
c)
argumentum ad baculum
d)
hellend vlak
17.
positief of negatief oordeel over een onderwerp of redenering
a)
beoordeling
b)
afweging
c)
bewering
d)
citaat
18.
verband tussen oorzaak en gevolg
a)
causaliteit
b)
analogie
c)
definitie
d)
expliciet
19.
standpunt dat in een betoog wordt verdedigd; kernachtig te omschrijven in één zin als hoofdgedachte
a)
centrale stelling
b)
stelling
c)
argument
d)
conclusie
20.
een stukje tekst letterlijk aanhalen
a)
citeren
b)
parafraseren
c)
overnemen
d)
in eigen woorden
21.
gevolgtrekking
a)
conclusie
b)
slot
c)
causaliteit
d)
bezwaar
22.
goede raad of advies
a)
aanbeveling
b)
afweging
c)
bewering
d)
constatering
23.
aansporen tot handelen
a)
activeren
b)
overtuigen
c)
citeren
d)
relativeren
Reset
