NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsModalverben (7x)
Total questions: 22
Worksheet time: 11mins
Name
Class
Date
1.
Vertaal het werkwoord 'moeten'
a)
mussen
b)
müssen
c)
mutten
d)
mütten
2.
Vertaal het werkwoord 'kunnen'.
a)
künnen
b)
kunnen
c)
konnen
d)
können
3.
Vertaal het werkwoord 'mogen' (toestemming hebben)
a)
mögen
b)
mogen
c)
dürfen
d)
durfen
4.
Vertaal het werkwoord 'willen'
a)
wollen
b)
wöllen
c)
willen
d)
wïllen
5.
Vertaal het werkwoord 'weten'
a)
wessen
b)
wissen
c)
weissen
d)
weißen
6.
Vertaal het werkwoord 'houden van' (lekker/aardig vinden)
a)
lieben
b)
mogen
c)
mögen
d)
leckeren
7.
Vertaal het werkwoord 'graag willen'
a)
möchten
b)
mochten
c)
gern wollen
d)
gern willen
8.
Bij welke vormen hebben deze werkwoorden geen uitgang?
a)
ich, du
b)
ich, du, er/sie/es
c)
er/sie/es
d)
wir, ihr, sie/Sie
9.
Welk werkwoord heeft bij ich, du, er/sie/es wel een uitgang? (de klinker verandert ook niet)
a)
möchten
b)
mögen
c)
dürfen
d)
wissen
10.
welk werkwoord gebruik je in deze zin:
Ik mag van mijn vader naar de disco.
Ik mag van mijn vader naar de disco.
a)
mögen
b)
möchten
c)
willen
d)
dürfen
11.
welk werkwoord gebruik je in deze zin:
Ik hou van aardbeienijs.
Ik hou van aardbeienijs.
a)
mögen
b)
möchten
c)
dürfen
d)
wollen
12.
welk werkwoord gebruik je in deze zin:
Hij vindt meneer Bijker aardig.
Hij vindt meneer Bijker aardig.
a)
mögen
b)
möchten
c)
dürfen
d)
müssen
13.
Wann ........ (kunnen) du kommen?
a)
können
b)
kannst
c)
kann
d)
könnst
14.
Heute ......... (mogen) ich von meinen Eltern nicht mitgehen.
a)
darf
b)
möge
c)
mag
d)
dürfe
15.
Frau Nijmeijer, ......... (weten) Sie, wo Teun ist?
a)
weißen
b)
wussten
c)
wisen
d)
wissen
16.
Ich ......... (lusten) keine Zwiebelsuppe.
a)
mage
b)
darf
c)
mag
d)
möge
17.
Was ......... (willen) ihr morgen machen?
a)
willt
b)
wollst
c)
wilt
d)
wollt
18.
Ihr ......... (mogen) eigentlich noch nicht weggehen.
a)
mögt
b)
dürfst
c)
magt
d)
dürft
19.
Michael ......... (lust graag) Cola.
a)
mag
b)
möge
c)
darf
d)
dürfe
20.
......... (kunnen) ich hier mit Karte bezahlen?
a)
kun
b)
kann
c)
könne
d)
kan
21.
Wir ......... (willen) mit dem Bus nach Amsterdam fahren.
a)
willen
b)
wollen
c)
wöllen
d)
willten
22.
Ich ......... (weten) nicht, wer da an die Tür klopft.
a)
wiss
b)
wisse
c)
weiße
d)
weiß
Reset
