NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsOverzichtstoets Nederlands klas 2
Total questions: 37
Worksheet time: 19mins
Name
Class
Date
1.
Een vragend voornaamwoord staat midden in een zin.
a)
Juist
b)
Onjuist
2.
Een aanwijzend voornaamwoord verwijst naar iemand of iets.
a)
Juist
b)
Onjuist
3.
Een aanwijzend voornaamwoord staat altijd vooraan in een zin.
a)
Juist
b)
Onjuist
4.
'Hoe', 'waarmee' en 'wanneer' zijn geen vragende voornaamwoorden.
a)
Juist
b)
Onjuist
5.
Benoem de woordsoort van het rode woord:
Welke / schoenmaat / heb / jij?
Welke / schoenmaat / heb / jij?
a)
Werkwoord
b)
Aanwijzend voornaamwoord
c)
Vragend voornaamwoord
d)
Zelfstandig naamwoord
6.
Benoem de woordsoort van het rode woord:
Welke / schoenmaat / heb / jij?
Welke / schoenmaat / heb / jij?
a)
Werkwoord
b)
Aanwijzend voornaamwoord
c)
Vragend voornaamwoord
d)
Zelfstandig naamwoord
7.
Benoem de woordsoort van het rode woord:
Welke / schoenmaat / heb / jij?
Welke / schoenmaat / heb / jij?
a)
Werkwoord
b)
Aanwijzend voornaamwoord
c)
Vragend voornaamwoord
d)
Zelfstandig naamwoord
8.
Benoem de woordsoort van het rode woord:
Welke / schoenmaat / heb / jij?
Welke / schoenmaat / heb / jij?
a)
Lidwoord
b)
Persoonlijk voornaamwoord
c)
Werkwoord
d)
Voorzetsel
9.
Benoem de woordsoort van het rode woord:
Die / actrice / heeft / haar / doel / bereikt.
Die / actrice / heeft / haar / doel / bereikt.
a)
Aanwijzend voornaamwoord
b)
Zelfstandig naamwoord
c)
Lidwoord
d)
Vragend voornaamwoord
10.
Benoem de woordsoort van het rode woord:
Die / actrice / heeft / haar / doel / bereikt.
Die / actrice / heeft / haar / doel / bereikt.
a)
Werkwoord
b)
Zelfstandig naamwoord
c)
Lidwoord
d)
Vragend voornaamwoord
11.
Benoem de woordsoort van het rode woord:
Die / actrice / heeft / haar / doel / bereikt.
Die / actrice / heeft / haar / doel / bereikt.
a)
Werkwoord
b)
Zelfstandig naamwoord
c)
Bezittelijk voornaamwoord
d)
Aanwijzend voornaamwoord
12.
Benoem de woordsoort van het rode woord:
Die / actrice / heeft / haar / doel / bereikt.
Die / actrice / heeft / haar / doel / bereikt.
a)
Werkwoord
b)
Zelfstandig naamwoord
c)
Bezittelijk voornaamwoord
d)
Aanwijzend voornaamwoord
13.
Benoem de woordsoort van het rode woord:
Die / actrice / heeft / haar / doel / bereikt.
Die / actrice / heeft / haar / doel / bereikt.
a)
Werkwoord
b)
Zelfstandig naamwoord
c)
Bezittelijk voornaamwoord
d)
Aanwijzend voornaamwoord
14.
Benoem de woordsoort van het rode woord:
Die / actrice / heeft / haar / doel / bereikt.
Die / actrice / heeft / haar / doel / bereikt.
a)
Werkwoord
b)
Zelfstandig naamwoord
c)
Bezittelijk voornaamwoord
d)
Aanwijzend voornaamwoord
15.
Zijn de onderstreepte woorden complete zinsdelen?
De grote groep stond voor het zwembad te wachten.
De grote groep stond voor het zwembad te wachten.
a)
Ja
b)
Nee
16.
Zijn de onderstreepte woorden complete zinsdelen?
Ellen betaalt je morgen het geleende geld terug.
Ellen betaalt je morgen het geleende geld terug.
a)
Ja
b)
Nee
17.
Zijn de onderstreepte woorden complete zinsdelen?
Heb jij Annelies al gebeld?
Heb jij Annelies al gebeld?
a)
Ja
b)
Nee
18.
Zijn de onderstreepte woorden complete zinsdelen?
De grote groene vrachtwagen met aanhanger reed razendsnel voorbij.
De grote groene vrachtwagen met aanhanger reed razendsnel voorbij.
a)
Ja
b)
Nee
19.
Zijn de onderstreepte woorden complete zinsdelen?
Hebben jullie ook zoveel huiswerk gekregen?
Hebben jullie ook zoveel huiswerk gekregen?
a)
Ja
b)
Nee
20.
Benoem de onderstreepte zinsdelen:
Ik kan je broer nooit bereiken.
Ik kan je broer nooit bereiken.
a)
pv
b)
ow
c)
lv
d)
mv
21.
Benoem de onderstreepte zinsdelen:
Anneke gaf de verkoper het geld voor de fiets.
Anneke gaf de verkoper het geld voor de fiets.
a)
pv
b)
ow
c)
lv
d)
mv
22.
Benoem de onderstreepte zinsdelen:
De gemeente wil een nieuw zwembad bouwen.
De gemeente wil een nieuw zwembad bouwen.
a)
pv
b)
ow
c)
lv
d)
mv
23.
Benoem de onderstreepte zinsdelen:
’s Winters kun je in onze woonplaats skiën.
’s Winters kun je in onze woonplaats skiën.
a)
pv
b)
ow
c)
lv
d)
mv
24.
Benoem de onderstreepte zinsdelen:
Heb je je moeder al een verjaardagscadeau gegeven?
Heb je je moeder al een verjaardagscadeau gegeven?
a)
pv
b)
ow
c)
lv
d)
mv
25.
Benoem de onderstreepte zinsdelen:
Wesley loopt altijd naar school.
Wesley loopt altijd naar school.
a)
pv
b)
ow
c)
lv
d)
mv
26.
Benoem de onderstreepte zinsdelen:
Je kunt het wel aan de leraar vragen.
Je kunt het wel aan de leraar vragen.
a)
pv
b)
ow
c)
lv
d)
mv
27.
Wat is de juiste verleden tijd van het werkwoord?
Wij … na afloop van het concert op Marco Borsato.
Wij … na afloop van het concert op Marco Borsato.
a)
Wachtten
b)
Wachten
c)
Wachtte
d)
Wachte
28.
Wat is de juiste tegenwoordige tijd van het werkwoord?
Wij … na afloop van het concert op Marco Borsato.
Wij … na afloop van het concert op Marco Borsato.
a)
Wachtten
b)
Wachten
c)
Wachtte
d)
Wachte
29.
Wat is de juiste verleden tijd van het werkwoord?
… jij surfen leuk?
… jij surfen leuk?
a)
Vind
b)
Vindt
c)
Vond
d)
Vondt
30.
Wat is de juiste tegenwoordige tijd van het werkwoord?
… jij surfen leuk?
… jij surfen leuk?
a)
Vind
b)
Vindt
c)
Vond
d)
Vondt
31.
Wat is de juiste verleden tijd van het werkwoord?
Als je je daarop …, krijg je een wachtwoord.
Als je je daarop …, krijg je een wachtwoord.
a)
Aanmelden
b)
Aanmeldden
c)
Aanmelde
d)
Aanmeldde
32.
Wat is de juiste tegenwoordige tijd van het werkwoord?
Als je je daarop …, krijg je een wachtwoord.
Als je je daarop …, krijg je een wachtwoord.
a)
Aanmeld
b)
Aanmeldt
c)
Aanmelde
d)
Aanmeldde
33.
Wat is de juiste verleden tijd van het werkwoord?
Het wachtwoord … naar je ge-e-maild.
Het wachtwoord … naar je ge-e-maild.
a)
Werd
b)
Werdt
c)
Word
d)
Wordt
34.
Wat is de juiste tegenwoordige tijd van het werkwoord?
Het wachtwoord … naar je ge-e-maild.
Het wachtwoord … naar je ge-e-maild.
a)
Werd
b)
Werdt
c)
Word
d)
Wordt
35.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes?
Die leuke broek is eindelijk in prijs …
Die leuke broek is eindelijk in prijs …
a)
Verlaagt
b)
Verlaagd
36.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes?
Wanneer is het ongeluk gebeur…?
Wanneer is het ongeluk gebeur…?
a)
Gebeurt
b)
Gebeurd
37.
Wat is de juiste vorm van het werkwoord tussen haakjes?
Hij heeft alles goed ingevul…
Hij heeft alles goed ingevul…
a)
Ingevult
b)
Ingevuld
Reset
