NEW
Font size
S
M
L
XL
WorksheetsSpelling week 2 2F
Total questions: 14
Worksheet time: 7mins
Name
Class
Date
1.
Aan de overkant lopen ook mensen. Jullie lopen net zo snel ........ .
a)
als zij
b)
als hun
c)
dan hen
d)
als hen
2.
De motor doet het niet, maar de benzinetank zit nog vol. Daar kan het niet aan ........ .
a)
lichen
b)
leggen
c)
liggen
d)
lechen
3.
De kat reageert zo vanwege zijn ........ .
a)
instinkt
b)
instinct
4.
Trek je ........ maar aan. Het is bedtijd.
a)
pijama
b)
pyama
c)
pyiama
d)
pyjama
5.
Berkenhout ........ sneller dan eikenhout.
a)
brant
b)
brandt
c)
brand
6.
Kabouters en ........ komen vooral in sprookjes voor.
a)
reusen
b)
reuzen
c)
reuzzen
d)
reussen
7.
We bleven zitten met een vraag ........ niet beantwoord werd.
a)
wat
b)
die
c)
dat
8.
Het ontbreekt jou aan ........ .
a)
interresse
b)
interesse
c)
interrese
9.
Het pakketje is op tijd ........ bij het postkantoor.
a)
gedroped
b)
gedropped
c)
gedropd
d)
gedropt
10.
Er zijn veel gezellige ........ in de oude binnenstad.
a)
cafees
b)
café's
c)
cafés
11.
Lekker, zo'n kopje koffie. Dat ........ je wakker.
a)
houd
b)
houdt
12.
Deze arts is gespecialiseerd in ........ .
a)
allergiëen
b)
allergiën
c)
allergieën
13.
(Leestekens.) "Kom hier........ ", riep Fred tegen z'n broertje.
a)
! (uitroepteken)
b)
: (dubbele punt)
c)
; (puntkomma)
d)
? (vraagteken)
14.
Wij hebben een ........ gekocht.
a)
tosti ijzer
b)
tostiijzer
c)
tostiïjzer
d)
tosti-ijzer
Reset
