wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

grammatica blok 4, h1

Total questions: 11

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

De vraag die je stelt om het onderwerp van een zin te vinden is:

a)

Wie of wat + lijdend voorwerp?

b)

Wie of wat + meewerkend voorwerp?

c)

Wie of wat + pv?

d)

Wie of wat + gezegde?

2.

De vraag die je stelt om het lijdend voorwerp te vinden:

a)

Wie of wat + gezegde + onderwerp?

b)

Wat?

c)

Waarom?

d)

Wie of wat + gezegde + meewerkend voorwerp?

3.

De vraag die je stelt om het meewerkend voorwerp te vinden:

a)

Wie of wat + onderwerp + gezegde?

b)

Wie of wat + alle andere zinsdelen?

c)

Aan/ voor + wie/ wat + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

d)

Waarom + werkwoord + onderwerp + dit?

4.

Hoe vind je de bijwoordelijke bepaling?

a)

Een bijwoordelijke bepaling is het antwoord op de vraag: wanneer?

b)

Een bijwoordelijke bepaling staat achteraan in de zin.

c)

Een bijwoordelijke bepaling is het antwoord op de vraag: wie of wat + gezegde?

d)

Een bijwoordelijke bepaling is het antwoord vraagwoorden als: wanneer, waarnaartoe, hoe, waar?

5.

Welke bewering is waar:

a)

In een zin met een meewerkend voorwerp staat altijd een lijdend voorwerp.

b)

In een zin met een bijwoordelijke bepaling staat altijd een meewerkend voorwerp.

c)

In een zin met een onderwerp staat altijd een meewerkend voorwerp.

d)

Een zin kan maar 1 bijwoordelijke bepaling voorkomen.

6.

Een meewerkend voorwerp begint altijd met 'aan':

a)

Waar

b)

Net waar

7.

Het rijtje met alleen maar persoonlijk voornaamwoorden:

a)

ik, jij (je), u, hij, zij (ze), het, wij (we), jullie, zij (ze)

b)

zichzelf, ikzelf, jijzelf, onszelf

c)

elkaar, elkander

d)

wie, wat, welke

8.

Het rijtje met alleen maar voorzetsels:

a)

mij (me), jou (je), u, hem, haar, het, ons, jullie, hun, hen, ze

b)

appel, stok, fiets, afwasmachine

c)

de, het, een

d)

van, aan, op, onder, uit, in, door

9.

Welke is geen bijvoeglijk naamwoord:

a)

vrolijk

b)

geheimzinnig

c)

ongeveer

d)

spannend

10.

Zinsdelen die je gemakkelijk kunt weglaten (ook, wel, niet, toch) zijn:

a)

zelfstandig naamwoorden

b)

meewerkend voorwerpen

c)

lijdend voorwerpen

d)

bijwoordelijke bepalingen

11.

Werkwoorden die vaak een meewerkend voorwerp met zich meebrengen:

a)

fietsen, schoppen, huilen

b)

vertellen, geven, slaan

c)

overhandigen, schenken, voorlezen

d)

bakken, koken, stomen