wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Pallas 5 tekst 5C

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

του Ταρταρου (2) staat in de genitivus. Verklaar de naamval.

a)

bijvoeglijke bepaling

b)

aanvulling bij voorzetsel (εκ)

c)

aanvulling bij werkwoord (απαγειν)

2.

Wie is het lijdend voorwerp bij απαγειν (2)?

a)

Herakles

b)

Kerberos

c)

de Tartaros

d)

Eurystheus

3.

In welke naamval staat βια (2)? Kijk goed in de tekst, niet alle tekens komen in de quiz over!

a)

nom

b)

gen

c)

dat

d)

acc

4.

Wat is de functie van Πλουτων (5)?

a)

εν τω Ταρταρω (4)

b)

δεσποτης (5)

c)

δεσποτης των νεκρων (5)

d)

εστιν

5.

Wat is de woordsoort van μεν (3)

a)

bijwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

e)

partikel

6.

Wat is de woordsoort van ουν (6)

a)

ontkenningswoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

e)

partikel

7.

λογοις (7) staat in de dativus. Verklaar de naamval.

a)

meewerkend voorwerp

b)

bijw. bep.

c)

aanvulling bij werkwoord (αιτει)

d)

dat. van bezit

8.

Wat houden de επι τουτοις (10) van Hades in?

a)

Hij mag Kerberos alleen zonder wapens verslaan

b)

Kerberos moet terug gebracht worden

c)

Kerberos mag niet gewond raken

d)

Kerberos mag zijn staart gebruiken

9.

In welke naamval staat τω Ηρακλει (10) en hoe is de naamval gebruikt?

a)

nom. onderwerp

b)

gen. aanvulling bij werkwoord

c)

dat. aanvulling bij werkwoord

d)

dat. meewerkend voorwerp

e)

gen. bijv.bep.

10.

Wat is de woordsoort van ενταυθα (13)

a)

bijwoord

b)

partikel

c)

bijv. nw.

d)

zelfst. nw

e)

werkwoord

11.

Wat is de woordsoort van επι (12)

a)

bijwoord

b)

partikel

c)

bijv. nw.

d)

zelfst. nw

e)

voorzetsel

12.

Welke vorm van het werkwoord is κρατειν (15)?

a)

1e ev

b)

2e ev

c)

3e ev

d)

3e mv

e)

inf

13.

Welke vorm van het werkwoord is δακνει (16)?

a)

1e ev

b)

2e ev

c)

3e ev

d)

3e mv

e)

inf

14.

In welke benoeming van χειρας (13) is juist?

a)

nom.ev.

b)

gen.ev.

c)

dat.mv

d)

acc.mv

15.

In welke naamval staat κεφαλαις (14)

a)

nom

b)

gen

c)

dat

d)

acc

16.

In welke naamval staat ηρως (17)

a)

nom

b)

gen

c)

dat

d)

acc

17.

In welke naamval staat θηριον (18)

a)

nom

b)

gen

c)

dat

d)

acc

18.

Κερβερου (14) staat in de genitivus. Verklaar de naamval.

a)

bijv. bep.

b)

aanvulling bij voorzetsel (ταις)

c)

aanvulling bij werkwoord (περιβαλλει)

d)

bijw. bep.

19.

Κερβερου (18) staat in de genitivus. Verklaar de naamval.

a)

bijv. bep.

b)

aanvulling bij voorzetsel (του)

c)

aanvulling bij werkwoord (κρατει)

d)

meewerkend voorwerp

20.

Citeer uit r. 12 t/m 18 het woord dat de fysieke eigenschap van Herakles aangeeft waarmee hij Kerberos kan overwinnen.

a)

πυλαις (12)

b)

ρωμη (15)

c)

βια (18)

d)

Ουτω (15)