WorksheetsVoeding en vertering
Total questions: 46
Worksheet time: 37mins
Name
Class
Date
1.
Deze voedingstof is bouwstof en brandstof maar geen reservestof of beschermende stof.
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Water
2.
Welke voedingstof moet je verteren voor het opgenomen kan worden?
a)
Glucose
b)
Mineralen
c)
Water
d)
Zetmeel
3.
Wat kun je zetmeel mee aantonen?
a)
Met helder kalkwater
b)
Met joodoplossing
4.
Heb je meer voedsel nodig in de zomer of in de winter?
a)
Zomer
b)
Winter
5.
Enzymen zorgen ervoor dat.....
a)
De verteringsreactie wordt versneld
b)
De voedingstoffen door het verteringsstelsel worden geduwd
c)
Vet met water kan mengen
d)
Bacteriën worden gedood
6.
Welk van de onderstaande sappen bevatten enzymen
a)
Alvleessap en speeksel
b)
Alvleessap en maagzuur
c)
Gal en maagzuur
d)
Gal en speeksel
7.
Dit doodt bacteriën.
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagzuur
d)
Darmsap
8.
Hoe heet orgaan 1?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
9.
Hoe heet orgaan 2?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
10.
Hoe heet orgaan 3?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
11.
Dit sap verteert vetten, eiwitten en zetmeel.
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagsap
d)
Speeksel
12.
Dit sap zorgt ervoor dat van grote vetdruppels kleine vetdruppels worden gemaakt.
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagsap
d)
Speeksel
13.
Hier wordt de voedselbrij ingedikt.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
14.
Deze darm bevat darmvlokken.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
15.
Welk orgaan maakt alvleessap?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
16.
Welk orgaan maakt gal?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
17.
Je slikt een stukje brood door. Welk orgaan komt dit voedingsmiddel het eerste tegen?
a)
Dunne darm
b)
Maag
c)
Twaalvingerige darm
d)
Dikke darm
18.
Welke stoffen komen uiteindelijk in je endeldarm terecht?
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Vezels
19.
De weg van het voedsel is:
a)
Mond, maag, dunne darm, dikke darm, 12-vingerige darm, endeldarm, anus
b)
Mond, dunne darm, maag, dikke darm, anus, 12-vingerige darm, endeldarm, slokdarm
c)
Mond, Slokdarm, maag, 12-vinherige darm, dunne darm, dikke darm, endeldarm, anus
d)
ansu, endeldarm, dikke darm, dunne darm, 12-vingerige darm, maag, slokdarm, mond
20.
Welke groepen van voedingsstoffen zijn er?
a)
Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten en vitaminen
b)
Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten, water en vitaminen
c)
Eiwitten, vetten, mineralen, zouten, water en vitaminen
d)
Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten, mineralen, water en vitaminen
21.
De functie van voedingsvezels is het bevorderen van de darmperistaltiek
a)
Juist
b)
Onjuist
22.
Mensen die weinig tot geen vlees eten moeten vleesvervangers eten omdat ze extra veel ijzer en koolhydraten nodig hebben. Deze komen niet voor in plantaardig voedsel
a)
Juist
b)
Onjuist
23.
De functie van glazuur is?
a)
Laagje om het tandbeen van de wortels
b)
Het bevestigt de tand of kies in de kaak
c)
Zeer harde laag om het tandbeen van de kroon
d)
Het deel dat buiten de kaak uitsteekt
24.
In iedere kaakhelft van een blijvend gebit zitten:
a)
4 Snijtanden, 2 hoektanden en 5 kiezen
b)
2 Snijtanden, 2 hoektanden en 5 kiezen
c)
2 Snijtanden, 1 hoektanden en 5 kiezen
d)
4 Snijtanden, 1 hoektanden en 5 kiezen
25.
Tandplak is een dun laagje aanslag dat zich dagelijks op de tanden en kiezen afzet
a)
Juist
b)
Onjuist
26.
Tandplak kun je tegengaan door minstens .. per dag je tanden op de juiste manier te poetsen
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
27.
Darmperistaltiek is het samentrekken van de kingspieren en lengtespieren in de wand van het hele darmkanaal
a)
Juist
b)
Onjuist
28.
Bij een blindedarmonsteking is de appendix ontstoken
a)
Juist
b)
Onjuist
29.
Bij diarree wordt in de dunne darm en in de dikke darm onvoldoende water in het bloed opgenomen
a)
Juist
b)
Onjuist
30.
Wat hebben herbivoren wel wat carnivoren in hun gebit niet hebben?
a)
Plooikiezen
b)
Hoektanden
c)
Knipkiezen
d)
Knobbelkiezen
31.
Herbivoren hebben een lang darmkanaal in verhouding tot hun lichaamslengte
a)
Juist
b)
Onjuist
32.
Plantaardig voedsel is makkelijker verteerbaar dan dierlijk voedsel
a)
Juist
b)
Onjuist
33.
Een bouwvakker heeft .... energie nodig dan iemand met een kantoor baan
a)
Meer
b)
Minder
c)
Evenveel
34.
Veganisten eten
a)
geen vlees
b)
geen dierlijke producten
c)
geen planten
d)
geen plantaardige producten
35.
Welke zin over voedingsvezels is juist
a)
voedingsvezels kunnen niet worden verteerd
b)
Voedingsvezels zorgen voor energie
c)
Voedingsvezels zorgen voor bouwstoffen
d)
Voedingsvezels is een voedingstof
36.
De manier van conserveren die je hier ziet is
a)
Invriezen
b)
drogen
c)
Steriliseren
d)
Conserveermiddelen toevoegen
37.
Dit is een
a)
voedingsmiddel
b)
voedingsstof
38.
Welke verteringsklieren geven verteringssappen af aan de voedselbrij in de twaalfvingerige darm
a)
lever en alvleesklier
b)
lever en maag
c)
alvleesklier en dunne darm
d)
gal en lever
39.
herbivoren hebben knobbelkiezen
a)
waar
b)
niet waar
40.
Welke tanden missen planteneters over het algemeen
a)
snijtanden
b)
hoektanden
c)
plooikiezen
41.
In welk orgaan zitten bacteriën die voedingsvezels verteren?
a)
twaalfvingerige darm
b)
dikke darm
c)
dunne darm
42.
Dit is de schedel van een
a)
omnivoor
b)
herbivoor
c)
carnivoor
43.
Welk deel van de schijf van 5 bevatten veel verzadigde vetten?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4 en 5
44.
Hoe heet de kringspier (A) op het einde van de maag?
a)
maagklep
b)
maagpoort
c)
maagportier
d)
maagspier
45.
Enzymen uit de dunne darm zijn bedoeld voor de vertering van:
a)
eiwitten en vetten
b)
eiwitten en koolhydraten
c)
vetten en koolhydraten
d)
eiwitten, vetten en koolhydraten
46.
In een proefopstelling staan 4 reageerbuizen. Buis 1 en 2 staan bij 37 graden Celsius. Buis 3 en 4 bij 20 graden Celsius.
De buizen bevatten het volgende:
1: zetmeeloplossing + maagsap
2: zetmeeloplossing + speeksel
3: zetmeeloplossing + maagsap
4: zetmeeloplossing + speeksel
Welke buis zal na een tijdje het minste zetmeel bevatten?
De buizen bevatten het volgende:
1: zetmeeloplossing + maagsap
2: zetmeeloplossing + speeksel
3: zetmeeloplossing + maagsap
4: zetmeeloplossing + speeksel
Welke buis zal na een tijdje het minste zetmeel bevatten?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
100 %
