Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Meerkeuzevragen

Total questions: 46

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Welke onderdelen zitten zowel in plantaardige als in dierlijke cellen?

a)

Celwand – celmembraan – cytoplasma

b)

Celmembraan – cytoplasma – celkern

c)

Vacuole – celkern – ribosomen

d)

Bladgroenkorrels – ribosomen – cytoplasma

2.

Welke uitspraak is juist?

a)

De celwand is onderdeel van de cel.

b)

Plastiden komen voor in dierlijke cellen.

c)

De vacuole zorgt vaak voor stevigheid van plantencellen.

d)

Bladgroenkorrels slaan zetmeel op.

3.

Welke plastiden kunnen in elkaar overgaan?

a)

Kleurstofkorrels → ribosomen

b)

Zetmeelkorrels → celkernen

c)

Bladgroenkorrels → kleurstofkorrels

d)

Vacuole → bladgroenkorrels

4.

Waar bevinden zich mitochondriën vooral veel?

a)

Cellen die veel energie nodig hebben

b)

Cellen die veel water opnemen

c)

Ribosomen

d)

Vacuoles van plantencellen

5.

Wat is de functie van ribosomen?

a)

Fotosynthese uitvoeren

b)

Eiwitten maken

c)

Chromosomen kopiëren

d)

Energie produceren

6.

Hoeveel chromosomen zitten er in een menselijke lichaamscel?

a)

23

b)

46

c)

92

d)

Verschilt per celtype

7.

Tijdens een gewone mitose (celdeling) geldt:

a)

Beide dochtercellen krijgen 23 chromosomen

b)

Beide dochtercellen krijgen 46 chromosomen

c)

Alleen de moedercel heeft DNA

d)

Chromosomen worden niet gekopieerd

8.

Welk celorganel is aangewezen als ‘regelcentrum van de cel’?

a)

Celwand

b)

Celmembraan

c)

Celkern

d)

Vacuole

9.

Het cytoplasma bestaat vooral uit:

a)

Zuurstof

b)

Water met opgeloste stoffen

c)

Aminozuren

d)

DNA

10.

Welke uitspraak over DNA is juist?

a)

DNA bestaat uit vier basen die A-G-U-C heten

b)

A past altijd op C en T op G

c)

DNA ligt vooral in de vacuole

d)

De volgorde van de basen bepaalt erfelijke eigenschappen

11.

Een gen is:

a)

Een groep chromosomen

b)

Een stukje DNA met informatie voor één of meer eigenschappen

c)

Een celorganel

d)

Een type plastide

12.

Bij celdeling ontstaan uit één moedercel:

a)

Twee identieke dochtercellen

b)

Twee verschillende dochtercellen

c)

Vier nieuwe cellen

d)

Alleen nieuwe cytoplasma

13.

Plasmagroei betekent:

a)

Toename van celkern

b)

Groei van cytoplasma na celdeling

c)

Afname van cytoplasma

d)

Vorming van nieuwe chromosomen

14.

Welke cellen kunnen zich oneindig vaak delen?

a)

Spiercellen

b)

Zenuwcellen

c)

Stamcellen

d)

Huidcellen

15.

Embryonale stamcellen kunnen:

a)

Slechts één celtype vormen

b)

Enkele celtypen vormen

c)

Bijna alle celtypen vormen

d)

Alleen bloedcellen vormen

16.

Zetmeelkorrels komen vooral voor in:

a)

Wortelharen

b)

De groene delen van een plant

c)

Cellen van aardappelen

d)

Cellen van bloemen

17.

Bij welk organel vindt fotosynthese plaats?

a)

Mitochondriën

b)

Ribosomen

c)

Vacuole

d)

Bladgroenkorrels

18.

Wat gebeurt er tijdens de S-fase van de celcyclus (tussen twee delingen)?

a)

De cel doet niets

b)

Chromosomen worden gekopieerd

c)

De cel sterft

d)

De cel scheidt afvalstoffen uit

19.

Waaruit bestaat een chromosoom grotendeels?

a)

Ribosomen

b)

DNA

c)

Vacuole

d)

Suikers

20.

De celwand is:

a)

Alleen aanwezig bij dierlijke cellen

b)

Onderdeel van de cel

c)

Tussencelstof om de cel heen

d)

Een celorganel

21.

Welke combinatie is juist?

a)

Celmembraan – stevigheid

b)

Vacuole – opslag van stoffen

c)

Bladgroenkorrel – kleur geven aan bloemen

d)

Mitochondrium – fotosynthese

22.

Welke eigenschap is erfelijk?

a)

Spierkracht

b)

Gezichtsvorm

c)

Overgewicht

d)

Tatoeages

23.

Waar bevinden chromosomen zich wanneer een cel niet deelt?

a)

Losse draden door elkaar in de celkern

b)

Compact en zichtbaar onder de microscoop

c)

In het cytoplasma

d)

In de vacuole

24.

Welke opmerking over plasmagroei is juist?

a)

Plasmagroei vindt plaats vóór het kopiëren van DNA

b)

Dochtercellen worden groter doordat er extra cytoplasma bijkomt

c)

Dit gebeurt alleen in plantencellen

d)

Dit gebeurt alleen in dierlijke cellen

25.

Wat gebeurt bij stamceltherapie?

a)

Chromosomen worden verwijderd

b)

Stamcellen worden gebruikt om beschadigd weefsel te herstellen

c)

DNA wordt vervangen door plastiden

d)

Cellen stoppen met delen

26.

Wat is tussencelstof?

a)

Cytoplasma tussen twee celkernen

b)

Materiaal dat om de cellen heen ligt

c)

De vacuole

d)

De celmembraan

27.

Welke van deze hoort niet bij de plastiden?

a)

Zetmeelkorrels

b)

Kleurstofkorrels

c)

Bladgroenkorrels

d)

Mitochondriën

28.

Een plantencel is vaak groter dan een dierlijke cel door:

a)

De grote vacuole

b)

De celwand

c)

De chromosomen

d)

De plastiden

29.

Mitochondriën zorgen voor:

a)

Het maken van eiwitten

b)

Energieproductie

c)

Opslag van DNA

d)

Transport van water

30.

In welke volgorde verloopt een gewone celdeling?

a)

Kern deelt → chromosomen kopiëren → cel deelt

b)

Cel deelt → chromosomen kopiëren → kern deelt

c)

Chromosomen kopiëren → kern deelt → cel deelt

d)

Cytoplasma deelt → chromosomen verdwijnen

31.

Beoordeel de uitspraak: Plantaardige cellen hebben altijd een celwand.

a)

Juist

b)

Onjuist

32.

Beoordeel de uitspraak: Chromosomen worden alleen zichtbaar tijdens celdeling.

a)

Juist

b)

Onjuist

33.

Beoordeel de uitspraak: Een gen bestaat uit meerdere chromosomen.

a)

Juist

b)

Onjuist

34.

Beoordeel de uitspraak: Ribosomen helpen bij het maken van eiwitten.

a)

Juist

b)

Onjuist

35.

Beoordeel de uitspraak: Een stamcel kan nooit specialiseren.

a)

Juist

b)

Onjuist

36.

Beoordeel de uitspraak: Plastiden komen voor in groene plantendelen én dierlijke cellen.

a)

Juist

b)

Onjuist

37.

Beoordeel de uitspraak: Elk mens heeft 4646 chromosomen in elke lichaamscel.

a)

Juist

b)

Onjuist

38.

Beoordeel de uitspraak: Tijdens mitose ontstaan twee identieke dochtercellen.

a)

Juist

b)

Onjuist

39.

Waar komen bladgroenkorrels vooral voor en wat is hun functie?

a)

In groene bladeren; ze zetten licht om in suiker (fotosynthese)

b)

In wortels; ze slaan water op

c)

In stengels; ze maken warmte

d)

In bloemen; ze geven geur af

40.

Welke volgorde beschrijft het beste de stappen van mitose vanaf het kopiëren van chromosomen tot twee dochtercellen?

a)

Kopiëren van chromosomen → verdelen naar twee polen → cel splitst → twee identieke cellen

b)

Cel groeit → cel wordt kleiner → chromosomen verdwijnen → twee verschillende cellen

c)

Chromosomen worden niet gekopieerd → cel splitst meteen → één grote en één kleine cel

d)

Chromosomen kopiëren → cel stopt met delen → er ontstaat één cel

41.

Welke uitspraken zijn correct over lichaamsscellen, stamcellen en embryonale stamcellen? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Lichaamscellen zijn meestal gespecialiseerd en delen weinig

b)

Stamcellen kunnen zich delen en kunnen differentiëren tot andere celtypen

c)

Embryonale stamcellen kunnen bijna alle soorten cellen worden

d)

Lichaamscellen hebben geen chromosomen

42.

Wat verklaart het best waarom spiercellen zich nauwelijks delen, terwijl stamcellen dat wel kunnen?

a)

Spiercellen zijn sterk gespecialiseerd; stamcellen zijn ongespecialiseerd en bedoeld om nieuwe cellen te maken

b)

Spiercellen hebben geen energie; stamcellen hebben extra energie

c)

Spiercellen hebben meer chromosomen; stamcellen hebben minder chromosomen

d)

Spiercellen zitten niet in het lichaam; stamcellen wel

43.

In de hoofdwortel van een plant zit veel reservevoedsel.

De plant gebruikt dit reservevoedsel vooral in de zomer.

a)

Juist

b)

Onjuist

44.

Zijn de grote hersenen een orgaan, een organenstelsel of een weefsel?

a)

Een orgaan

b)

Een orgaanstelsel

c)

Een weefsel

45.

Volgens Kirsten kun je in de cellen van het uienvlies altijd chromosomen zien.

  Heeft Kirsten gelijk?

a)

Ja, want chromosomen zijn altijd zichtbaar onder de microscoop.

b)

Ja, want de cellen in het uienvlies hebben chromosomen.

c)

Nee, want chromosomen zijn alleen zichtbaar als de cel deelt.

d)

Nee, want de cellen in het uienvlies hebben geen chromosomen.

46.

Welk van de volgende organen behoort tot het verteringsstelsel?

a)

Het hart

b)

De holle ader

c)

De lever

d)

Het ruggenmerg