wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

§4.1 scheikunde

Total questions: 17

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Een stukje papier wordt aangestoken en begint te branden. Tijdens deze reactie wordt een bekerglas over het papier geplaatst. Hierdoor dooft de brand.


Waardoor stopt de verbranding?

a)

Onder het bekerglas is het te warm

b)

Onder het bekerglas is te weinig zuurstof

c)

Onder het bekerglas is te veel zuurstof

d)

Onder het bekerglas is het te koud

2.

Een stuk hout wordt verhit in een afgesloten container. Wat zal er met het hout gebeuren?


I Het hout zal door de warmte uiteindelijk verbranden.

II Het hout zal door de warmte gaan ontleden.


Welke stelling is of welke stellingen zijn juist?

a)

Stelling I is juist

b)

Stelling II is juist

c)

Beide stellingen zijn juist

d)

Geen van de stellingen is juist

3.

Hoe noem je een chemische reactie met zuurstof?

a)

een ontleding

b)

een beluchting

c)

een verbranding

d)

een scheidingsmethode

4.

Stoffen kunnen veranderen als je ze voldoende verhit.


I Stoffen kunnen sublimeren.

II Stoffen kunnen ontleden.


Welke stelling is of welke stellingen zijn juist?

a)

stelling I is juist

b)

Stelling II is juist

c)

Beide stellingen zijn juist

d)

Geen van de beide stellingen is juist

5.

Wanneer een stukje papier wordt verbrand, ontstaat er as en een witte rook.


Welke van de volgende reactieschema's is juist?

a)

Papier(s) + zuurstof geeft as + witte rook

b)

Papier(s) geeft as(s) + witte rook (g)

c)

Papier (s) + zuurstof(g) geeft as(g) + witte rook(g)

d)

Papier(s) + zuurstof(g) geeft as(s) + witte rook(g)

6.

In een reactieschema staan de beginstoffen en de reactieproducten maar ook de toestandsaanduidingen.


Bekijk de volgende stellingen.

1 "In een reactieschema zet je achter vaste stoffen (l)."

2 "Vloeistoffen geef je aan met (s)."


Welke stelling is of welke stellingen zijn juist?

a)

Stelling I is juist.

b)

Stelling II is juist

c)

Beide stellingen zijn juist

d)

Beide stellingen zijn onjuist

7.

De onzichtbare gassen koolstofdioxide en waterdamp ontstaan bij de verbranding van diesel.


Welke van de onderstaande reactieschema's is juist?

a)

Koolstofdioxide(g) + waterdamp(g) geeft diesel(l)

b)

Koolstofdioxide(g) + waterdamp(l) geeft diesel(l) + zuurstof(g)

c)

diesel(l) + zuurstof(l) geeft koolstofdioxide(g) + waterdamp(g)

d)

diesel(l) geeft koolstofdioxide(g) + waterdamp(l)

8.

Bekijk het volgende reactieschema:

hout(s) → koolstof(s) + water(l) + witte rook(g)


Welk soort reactie vindt hier plaats?

a)

een verbranding

b)

een scheiding

c)

een chemische reactie

d)

een ontleding

9.

Freek en Tony doen een proef waarbij ze hout verbranden. Het reactieschema voor deze proef ziet er als volgt uit:

hout(s) + zuurstof(g) → koolstofdioxide(g) + water(g)

Freek en Tony doen de volgende uitspraken:

Freek: "Koolstofdioxide en water zijn verbrandingsproducten."

Tony: "Bij een verbrandingsreactie komen warmte en licht vrij."

Wie heeft er gelijk?

a)

Freek heeft gelijk

b)

Tony heeft gelijk

c)

ze hebben allebei gelijk

d)

geen van beiden heeft gelijk

10.

Welke van de onderstaande reacties is geen ontledingsreactie?

a)

water(l) geeft waterstof(g) + zuurstof(g)

b)

waterstofperoxide(l) geeft zuurstof(g) + water(l)

c)

methaan(g) + zuurstof(g) geeft koolstofdioxide(g) + water(g)

d)

zilverbromide(s) geeft zilver(s) + broom(l)

11.

Je kunt veel stoffen ontleden.


Wat is een ontledingsreactie?

a)

een reactie waarbij zuurstof ontstaat

b)

een reactie waarbij uit één stof meerdere nieuwe stoffen ontstaat

c)

een reactie met zuurstof

d)

een reactie waarbij twee stoffen met elkaar reageren tot één nieuwe stof.

12.

Bekijk de volgende stellingen:


I Om een ontledingsreactie op gang te houden, is energie nodig.

II Bij een verbrandingsreactie komt zuurstof vrij.


Welke stelling is of welke stellingen zijn juist?

a)

Alleen stelling I is juist

b)

Alleen stelling II is juist

c)

Beide stellingen is juist

d)

Beide stellingen is onjuist

13.

Bekijk de volgende stellingen:


I Bij het ontleden van stoffen heb je zuurstof nodig.

II Bij het scheiden van stoffen maak je nieuwe stoffen.


Welke stelling is of welke stellingen zijn juist?

a)

Alleen stelling I juist

b)

Alleen stelling II juist

c)

Beide stelling zijn juist

d)

Beide stelling zijn onjuist

14.

Bij een ontledingsreactie treden veranderingen op.

Enkele voorbeelden zijn verandering van kleur, geur of smaak.


Hoe noem je deze veranderingen?

a)

verbrandingsproducten

b)

reactieverschijnselen

c)

faseveranderingen

d)

ontledingsproducten

15.

Hoe kun je een organische stof herkennen?

a)

Bij verbranding van een organische stof wordt zuurstof verbruikt.

b)

Bij de verbranding van een organische stof komt rook vrij

c)

Bij de ontleding van een organische stof ontstaat waterdamp

d)

Bij de ontleding van een organische stof ontstaat een zwarte aanslag

16.

Bij een ontledingsreactie ontstaan de volgende reactieproducten: koolstof, water en witte rook.

Hoe noem je de beginstof?

a)

verbrandingsproduct

b)

reactieverschijnsel

c)

zuivere stof

d)

organische stof

17.

Welke stoffen ontstaat bij de verhitting van een organische stof? Kies de juiste stoffen.

a)

koolstof

b)

zuurstof

c)

waterstof

d)

water