wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederlands 1AB oefenen

Total questions: 45

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Doel van een flyer

a)

Overtuigen

b)

Wat je moet doen

c)

Informeren

d)

Overhalen of activeren

2.

Doel van een voorlichtingstekst

a)

Overtuigen

b)

Wat je moet doen

c)

Informeren

d)

Overhalen of activeren

3.

Doel van een gebruiksaanwijzing

a)

Overtuigen

b)

Wat je moet doen

c)

Informeren

d)

Overhalen of activeren

4.

Doel van een ingezonden brief

a)

Overtuigen

b)

Wat je moet doen

c)

Informeren

d)

Overhalen of activeren

5.

Als je iets aanwijst, gebruik je een ... voornaamwoord

a)

vragend

b)

aanwijzend

6.

Wat is het aanwijzende voornaamwoord: Hoeveel mensen heb je deze keer uitgenodigd?

a)

Hoeveel

b)

Mensen

c)

Deze

d)

Uitgenodigd

7.

Wat is het aanwijzende voornaamwoord: Op het Wellantcollege gelden niet zulke strenge regels.

a)

Op

b)

Het

c)

Wellantcollege

d)

zulke

8.

Wat is het vragende voornaamwoord: Wie is jullie dokter?

a)

Wie

b)

is

c)

jullie

d)

dokter

9.

Wat is het vragende voornaamwoord: Wat heeft u verkocht via internet?

a)

Wat

b)

u

c)

verkocht

d)

internet

10.

Je hart pompt bloed ... je hele lichaam.

a)

om

b)

in

c)

door

d)

van

11.

Het valt niet mee ... een goede les te maken.

a)

om

b)

in

c)

door

d)

van

12.

... Gelderland was het afgelopen weekend mooi weer.

a)

om

b)

in

c)

door

d)

van

13.

De leerkracht heeft hoge verwachtingen ... de leerlingen.

a)

om

b)

in

c)

door

d)

van

14.

Wat is het: Nederland

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

15.

Wat is het: kunnen

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

16.

Wat is het: achter

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

17.

Wat is het: slechte

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

18.

Wat is het: De

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

19.

Wat is het: doen

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

20.

Wat is het: naar

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

21.

Wat is het: een

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

22.

Wat is het: rode

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

23.

Wat is het: klaslokaal

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

24.

Wat is het: Henry

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

25.

Wat is het: staat

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

26.

Wat is het: onder

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

27.

Wat is het: na

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

28.

Wat is het: Geschiedenis

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

29.

Wat is het: oude

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

30.

Wat is het: het

a)

Lidwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoegelijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Voorzetsel

31.

Meervoud van: feestje

a)

feestjes

b)

feestje's

32.

Meervoud van: televisie

a)

televisies

b)

televisie's

33.

Meervoud van: kano

a)

kanos

b)

kano's

34.

Meervoud van: lepel

a)

lepels

b)

lepel's

35.

In de VERLEDEN TIJD: Onze tuin ... aan die van onze ouders.

a)

grenst

b)

grensd

c)

grenste

d)

grensde

36.

In de VERLEDEN TIJD: Het roofdier ... de prooi, omdat hij honger had.

a)

doodt

b)

dood

c)

doodte

d)

doodde

37.

In de VERLEDEN TIJD: Vroeger op vakantie moesten wij ... om op onze bestemming te komen.

a)

lift

b)

liftd

c)

liftten

d)

liftden

38.

In de VERLEDEN TIJD: De leerkracht ... de leerlingen langs alle bijzondere gebouwen in de oude stad.

a)

leit

b)

leid

c)

leidte

d)

leidde

39.

In de VERLEDEN TIJD: Voor moederdag ... de dochter het cadeau in cadeaupapier.

a)

wikkelt

b)

wikkeld

c)

wikkelte

d)

wikkelde

40.

De dame heeft ... haren

a)

bruine

b)

bruinen

41.

De tafel heeft een ... poot.

a)

kopere

b)

koperen

42.

Hij heeft altijd ... ideeën.

a)

orginele

b)

orginelen

43.

Het ... idee was van een leerling

a)

beste

b)

besten

44.

We eten vandaag van een ... bord.

a)

papiere

b)

papieren

45.

Gelukkig is het nog maar een ... periode tot aan de vakantie.

a)

korte

b)

korten