Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Leesvaardigheid, brugklas

Total questions: 20

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Wat is GEEN kenmerk van het onderwerp?

a)

Het bevat geen persoonsvorm.

b)

Het is een hele zin.

c)

Het is een woord of woordgroep.

d)

Het zegt waar de tekst over gaat.

2.

Wat is GEEN leesstrategie?

a)

oriënterend lezen

b)

ontspannend lezen

c)

precies lezen

d)

zoekend lezen

3.

Welke tekstsoort heeft meestal geen slot?

a)

instructie

b)

achtergrondartikel

c)

column

d)

nieuwsbericht

4.

Uit hoeveel alinea's bestaat een tekst met een driedeling minimaal?

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

5.

Wat is het belangrijkste tekstdoel van een recensie?

a)

informeren

b)

amuseren

c)

overtuigen

d)

activeren

6.

Wat is het belangrijkste tekstdoel van een instructie?

a)

informeren

b)

amuseren

c)

overtuigen

d)

activeren

7.

Wat is het belangrijkste tekstdoel van een advertentie?

a)

informeren

b)

amuseren

c)

overtuigen

d)

activeren

8.

Wat is geen 'doel' van een afbeelding bij een tekst?

a)

verfraaien

b)

aandacht trekken

c)

verduidelijken

d)

opvullen

9.

Welk doel heeft een tabel bij een tekst?

a)

verfraaien

b)

aandacht trekken

c)

verduidelijken

d)

aanvullen

10.

Welke delen van de tekst heb je nodig om de hoofdgedachte te formuleren?

a)

Inleiding + kern

b)

Inleiding + slot

c)

Kern + slot

d)

Inleiding + kern + slot

11.

'Voordat' is een signaalwoord dat hoort bij een...

a)

Opsommend verband

b)

Tegenstellend verband

c)

Chronologisch verband

d)

Redengevend verband

12.

Het signaalwoord 'namelijk' geeft een ... aan.

a)

oorzaak

b)

reden

c)

toelichting

d)

voorwaarde

13.

De signaalwoorden 'indien', 'mits' en 'tenzij' horen bij een...

a)

Oorzakelijk verband

b)

Redengevend verband

c)

Toelichtend verband

d)

Voorwaardelijk verband

14.

Welk signaalwoord hoort bij een oorzakelijk verband?

a)

daardoor

b)

daarom

c)

omdat

d)

want

15.

Welke leesstrategie pas je toe om de deelonderwerpen te vinden?

a)

Oriënterend lezen

b)

Globaal lezen

c)

Zoekend lezen

d)

Precies lezen

16.

Wat is een anekdote?

a)

Een voorbeeld in de inleiding

b)

Een samenvatting in de inleiding

c)

Een (grappig) verhaaltje in de inleiding

d)

Een vraag in de inleiding

17.

Welke uitspraak over deelonderwerpen is WAAR?

a)

Om deelonderwerpen te vinden, lees je een tekst oriënterend.

b)

Deelonderwerpen vind je in het middenstuk van een tekst.

c)

In elke alinea staat een deelonderwerp.

d)

Deelonderwerpen zijn hetzelfde als tussenkopjes.

18.

Wat is een tussenkopje?

a)

De titel van een of meerdere alinea's.

b)

Het deelonderwerp van een alinea.

c)

De witregel tussen twee alinea's in.

d)

Het kernwoord van een alinea.

19.

Wat is een kernzin?

a)

De eerste zin van een tekst.

b)

De laatste zin van een tekst.

c)

De belangrijkste zin van een alinea.

d)

Hetzelfde als de hoofdgedachte.

20.

Welk van de volgende signaalwoorden hoort niet bij een opsommend verband?

a)

Bovendien

b)

Vervolgens

c)

Echter

d)

Als laatste