Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

deeltjesmodel + aggregatiefasen

Total questions: 21

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.
Welk punt hoort niet bij het deeltjesmodel?
a)
Iedere stof is opgebouwd uit hele kleine deeltjes, moleculen.
b)
Elke stof heeft zijn eigen soort moleculen.
c)
Moleculen hebben altijd dezelfde snelheid.
d)
Moleculen trekken elkaar aan.
2.
In welke fase zijn de aantrekkingskrachten het grootst?
a)
vaste fase
b)
vloeibare fase
c)
gasfase
d)
alle fasen
3.
Als je water kookt, gaat het verdampen. Wat gebeurt er dan met de snelheid van de moleculen?
a)
De moleculen gaan sneller bewegen.
b)
De moleculen gaan langzamer bewegen.
c)
De snelheid blijft gelijk.
4.
Wat gebeurt er met de aantrekkingskracht tussen de moleculen van water als het bevriest?
a)
De aantrekkingskracht wordt groter.
b)
De aantrekkingskracht wordt kleiner.
c)
De aantrekkingskracht blijft gelijk.
5.
Een stuk zeep ruikt vaak lekker. In welke fase is een stof die je ruikt?
a)
vaste fase
b)
vloeibare fase
c)
gasfase
6.
Welke moleculen zitten er in suikerwater?
a)
suikerwatermoleculen
b)
alleen suikermoleculen
c)
suikermoleculen en watermoleculen
7.

In welke fase zit deze afbeelding van het deeltjesmodel

a)

De vaste fase

b)

De vloeibare fase

c)

De gas fase

8.

Hoe bewegen de deeltjes in de vaste fase?

a)

Ze bewegen helemaal niet en zitten vast in een rooster

b)

ze zitten vast in een rooster maar kunnen wel trillen

c)

de deeltjes kunnen langs elkaar bewegen

d)

de kunnen langs elkaar bewegen maar niet ver van hun beginplaats

9.

welke faseovergang zien we in het bovenstaande deeltjesmodel?

a)

smelten

b)

stollen

c)

verdampen

d)

rijpen

10.
Wat is een zuivere stof?
a)
Cola
b)
Bronwater (spa rood)
c)
Suiker
d)
Zuivere boslucht
11.
ramen beslaan in een volle bus
a)
condenseren
b)
verdampen
c)
smelten
d)
rijpen
12.
de straat droogt op na een regenbui
a)
smelten
b)
verdampen
c)
condenseren
d)
vervluchtigen
13.
ijsklontjes in een glas cola op een terras
a)
bevriezen
b)
verdampen
c)
smelten
d)
condenseren
14.
water in een plas als de temperatuur onder 0 komt
a)
rijpen
b)
smelten
c)
condenseren
d)
bevriezen
15.
het wit wat ontstaat op bomen tijdens een koude winternacht
a)
rijpen
b)
bevriezen
c)
stollen
d)
smelten
16.
een vloeistof heeft een vaste vorm
a)
niet waar
b)
soms
c)
waar
d)
weet niet
17.
een gas kun je samen persen
a)
nee nooit
b)
soms
c)
ja altijd
d)
ligt er aan welk gas
18.
een blokje ijzer heeft een vaste vorm
a)
ja want het is een vaste stof
b)
nee want het is een vaste stof
c)
ja want het is een vloeistof
d)
nee want het is een vloeistof
19.
Het wasgoed in een droogtrommel
a)
verdampen
b)
condenseren
c)
rijpen
d)
vervluchtigen
20.
het gras is nat van de dauw
a)
stollen
b)
rijpen
c)
verdampen
d)
condenseren
21.
er zijn drie fasen van stoffen. hoeveel faseovergangen kennen we
a)
3
b)
4
c)
5
d)
6