wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

T3 | H1 Organismen uit vier rijken

Total questions: 52

Worksheet time: 52mins

Name
Class
Date
1.

Een ander woord voor levend wezen is...

a)

Organisme

b)

Orgaan

c)

Dieren

d)

Bioten

2.

Welke van onderstaande begrippen behoren tot de levenskenmerken? Tik de juiste antwoorden aan.

a)

Uitscheiden

b)

Poepen

c)

Voortplanten

d)

Bewegen

e)

Groeien

3.

Welk levenskenmerk past bij dit plaatje?

a)

Voeden

b)

Groeien

c)

Ademen

d)

Uitscheiden

e)

Reageren

4.

Welk levenskenmerk past bij dit plaatje?

a)

Voeden

b)

Groeien

c)

Ademen

d)

Uitscheiden

e)

Reageren

5.

Welk levenskenmerk past bij dit plaatje?

a)

Voeden

b)

Groeien

c)

Ademen

d)

Uitscheiden

e)

Reageren

6.

Welk levenskenmerk past bij dit plaatje?

a)

Voeden

b)

Groeien

c)

Ademen

d)

Uitscheiden

e)

Reageren

7.

Welk levenskenmerk past bij dit plaatje?

a)

Voeden

b)

Groeien

c)

Ademen

d)

Uitscheiden

e)

Reageren

8.

Welk levenskenmerk past bij dit plaatje?

a)

Voortplanten

b)

Groeien

c)

Ademen

d)

Uitscheiden

e)

Reageren

9.

Een paard en ezel zijn twee verschillende soorten omdat...

a)

Ze er te verschillend uit zien

b)

Ze geen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen

c)

Ze helemaal geen babies kunnen krijgen

10.

De tijger en de leeuw behoren tot dezelfde soort

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

De tijger en de leeuw behoren tot hetzelfde geslacht

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Tot welke groep van het dierenrijk behoort dit organisme?

a)

Eencellige

b)

Sponzen

c)

Holtedieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Weekdieren

13.

Tot welke groep van het dierenrijk behoort dit organisme?

a)

Eencellige

b)

Sponzen

c)

Holtedieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Weekdieren

14.

Tot welke groep van het dierenrijk behoort dit organisme?

a)

Eencellige

b)

Sponzen

c)

Holtedieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Weekdieren

15.

Tot welke groep van het dierenrijk behoort dit organisme?

a)

Eencellige

b)

Sponzen

c)

Holtedieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Weekdieren

16.

Tot welke groep van het dierenrijk behoort dit organisme?

a)

Eencellige

b)

Sponzen

c)

Holtedieren

d)

Wormen

e)

Weekdieren

17.

Tot welke groep van het dierenrijk behoort dit organisme?

a)

Eencellige

b)

Sponzen

c)

Holtedieren

d)

Wormen

e)

Weekdieren

18.

Tot welke groep van het dierenrijk behoort dit organisme?

a)

Stekelhuidigen

b)

Reptielen

c)

Geleedpotigen

d)

Vissen

e)

Weekdieren

19.

Tot welke groep van het dierenrijk behoort dit organisme?

a)

Stekelhuidigen

b)

Reptielen

c)

Gewervelden

d)

Vissen

e)

Weekdieren

20.

To welke groep van de gewervelden behoort dit organisme?

a)

Vissen

b)

Amfibieën

c)

Reptielen

d)

Vogels

e)

Zoogdieren

21.

To welke groep van de gewervelden behoort dit organisme?

a)

Vissen

b)

Amfibieën

c)

Reptielen

d)

Vogels

e)

Zoogdieren

22.

To welke groep van de gewervelden behoort dit organisme?

a)

Vissen

b)

Amfibieën

c)

Reptielen

d)

Vogels

e)

Zoogdieren

23.

To welke groep van de gewervelden behoort dit organisme?

a)

Vissen

b)

Amfibieën

c)

Reptielen

d)

Vogels

e)

Zoogdieren

24.

To welke groep van de gewervelden behoort dit organisme?

a)

Vissen

b)

Amfibieën

c)

Reptielen

d)

Vogels

e)

Zoogdieren

25.

Dit dier heeft een ... skelet

a)

Inwendig

b)

Uitwending

26.

Dit dier heeft een ... skelet

a)

Inwendig

b)

Uitwending

27.

Een orgaan is een...

a)

Deel van het lichaam met een eigen taak

b)

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie

c)

Een groep organen die samenwerken om een grotere functie uit te voeren

d)

De kleinste bouwstenen van het lichaam

28.

Op deze afbeelding zien we een...

a)

cel

b)

weefsel

c)

Orgaan

d)

Orgaanstelsel

29.

Een orgaanstelsel is...

a)

Deel van het lichaam met een eigen taak

b)

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie

c)

Een groep organen die samenwerken om een grotere functie uit te voeren

d)

De kleinste bouwstenen van het lichaam

30.

Kruis de onderdelen die in een dierlijke cel te vinden zijn aan

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Celmembraan

d)

Bladgroenkorrels

e)

Vacuole

31.

Kruis de onderdelen die in een schimmel cel te vinden zijn aan

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Celmembraan

d)

Bladgroenkorrels

e)

Vacuole

32.

Kruis de onderdelen die in een planten cel te vinden zijn aan

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Celmembraan

d)

Bladgroenkorrels

e)

Vacuole

33.

Kruis de onderdelen die in een bacterie cel te vinden zijn aan

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Celmembraan

d)

Bladgroenkorrels

e)

Zweepharen

34.

Welk woord uit de levenscyclus van een schimmel is weggelaten?

a)

Zwamvlok

b)

Schimmeldraden

c)

Hoed

d)

Vruchtlichaam

35.

Welk onderdeel moet op nr 1 staan?

a)

Plaatjes

b)

Sporen

c)

Zwamvlok

d)

Schimmel

36.

Welk onderdeel moet op nr 1 staan?

a)

Plaatjes

b)

Sporen

c)

Zwamvlok

d)

Schimmel

37.

Een bacterie plant zich voort door te delen

a)

Waar

b)

Niet waar

38.

Bacteriën en schimmels zijn redecenten. Ze breken dood organisch materiaal af hierbij ontstaan ...?... die planten kunnen gebruiken om te groeien.

a)

Mineralen

b)

Glucose

c)

Zuurstof

d)

Vitaminen

39.

Bij deze manier van conserveren verwarm je het product tot 120 graden of hoger

a)

Drogen

b)

Vacuüm

c)

Steriliseren

d)

Pasteuriseren

40.

Bij deze manier van conserveren neem je de zuurstof van de bacteriën / schimmels weg

a)

Drogen

b)

Vacuüm of met speciaal gas verpakken

c)

Steriliseren

d)

Koelen

41.

In een voedselketen worden planten de ...?... genoemd

a)

Producenten

b)

Consumenten

c)

Reducenten

d)

Afvaleters

42.

In een voedselketen worden dieren de ...?... genoemd

a)

Producenten

b)

Consumenten

c)

Reducenten

d)

Afvaleters

43.

In een voedselketen worden dieren die als eerste van een dood organismen gaan eten de ...?... genoemd

a)

Producenten

b)

Consumenten

c)

Reducenten

d)

Afvaleters

44.

In een voedselketen worden schimmels en bacteriën de ...?... genoemd

a)

Producenten

b)

Consumenten

c)

Reducenten

d)

Afvaleters

45.

Planten kunnen zelf hun eigen energierijke stoffen maken door het opnemen van water, zonlicht en CO2. Hoe noem je dit proces?

a)

Celdeleing

b)

Fotosynthese

c)

Elektroforese

d)

Verbranding

46.

Op de afbeelding is het proces van fotosynthese in een schema weergeven. Welke stof ontbreekt?

a)

Glucose

b)

Eiwitten

c)

Vetten

d)

Zetmeel

47.

Planten hebben mineralen nodig om andere energierijke stoffen te maken uit glucose. Welke andere stoffen kunnen planten van glucose maken? Tik de juiste antwoorden aan

a)

Vetten

b)

Zetmeel

c)

Eiwitten

d)

Water

e)

Mineralen

48.

Bij genetische modificatie nemen we een ...?... van een organismen en bouwen deze in bij een organisme die deze eigenschap van nature niet heeft

a)

Gen

b)

DNA

c)

Chromosoom

d)

Eigenschap

49.

Welk van onderstaande voorbeelden zijn GEEN gmo? Tik de antwoorden aan

a)

Hondenrassen

b)

Planten kruisen

c)

toevallige mutaties in het DNA

d)

Gouden rijst maken

e)

Blauwe rozen

50.

Door het gen voor de aanmaak van insuline bij bacteriën in te bouwen, hebben mensen insuline producerende bacteriën gemaakt.

Hoe noemen we dit proces?

a)

Fokken

b)

Genetische manipulatie

c)

Gen mutaties

d)

DNA

51.

Biotechniek is...

a)

Organismen gebruiken als slaven

b)

Organismen met een bepaalde techniek voor je laten werken

c)

Heel veel dieren in kleine boerderijen houden

d)

DNA mutaties

52.

Het gebruiken van gist is een voorbeeld van biotechniek

a)

Waar

b)

Niet waar