WorksheetsV4 §2.1 en §2.2
Total questions: 14
Worksheet time: 7mins
De alvleesklier (1) van een mens (2) bevat kliercellen (3) die het hormoon insuline (4) produceren. Insuline is één van de hormonen die ervoor zorgen dat de glucoseconcentratie in het bloed niet te veel varieert. Wanneer de productie van insuline niet goed verloopt, of wanneer de receptoren voor insuline niet goed werken, bestaat er kans op diabetes. Er is dan geen of onvoldoende opname van glucose door cellen, wat leidt tot een tekort aan brandstof, waardoor de mitochondriën (5) minder goed gaan functioneren.
In de tekst zijn vijf organisatieniveaus genummerd aangegeven. Als je de organisatieniveau's op volgorde zet van klein naar groot, dan is de juiste volgorde:
4-3-1-5-2
4-5-3-1-2
5-4-3-1-2
5-3-5-1-2
In het menselijk lichaam werken organen samen in orgaanstelsels. Deze stelsels vertonen emergente eigenschappen. Wat is een emergente eigenschap?
Een eigenschap die 1 orgaan kan uitvoeren en waar geen samenwerking met andere organen voor nodig is
Een eigenschap die door samenwerking kan ontstaan, maar die 1 orgaan ook alleen kan uitvoeren
Een eigenschap die pas ontstaat door samenwerking van organen.
Vergelijk een kleine baby met een kind van 10 jaar. Welk van onderstaande uitspraken is waar?
Kleine kinderen hebben relatief gezien meer volume dan lichaamsoppervlak en koelen daardoor minder snel af
Kleine kinderen hebben relatief gezien meer volume dan lichaamsoppervlak en koelen daardoor sneller af
Kleine kinderen hebben relatief gezien minder volume dan lichaamsoppervlak en koelen daardoor sneller af
Kleine kinderen hebben relatief gezien minder volume dan lichaamsoppervlak en koelen daardoor minder snel af
Stofwisseling is een levenskenmerk.
waar
niet waar
Stamcellen zijn gedifferentieerde cellen die kunnen delen.
waar
niet waar, ze kunnen niet meer delen
niet waar, stamcellen zijn nog niet gedifferentieerd
niet waar, stamcellen zijn niet gedifferentieerd en kunnen niet delen
Het ruw endoplasmatisch reticulum is...
een orgaan in de mitochondrien dat zorgt voor eiwitsynthese
een celorganel dat bestaat uit een netwerk van twee membranen die dicht tegen elkaar aanliggen. Het bewerkt eiwitten die gemaakt zijn in de ribosomen
een netwerk van eiwitdraden, dat zorgt voor de vorm van de cel. Hierlangs verplaatsen zich organellen door de cel
een organel dat glucose afbreekt en zo energie levert aan de cel
Een cel van de mens bevat in ieder geval de volgende organellen:
celwand, celmembraan, Golgi apparaat, mitochondrien
celmembraan, mitochondrien, chloroplasten, ribosomen
celmembraan, mitochondrien, ribosomen, ruw ER
mitochondrien, ribosomen, ruw ER, Golgi apparaat
Kies het juiste organisatieniveau: alle alligatoren in de Mississippi
een levensgemeenschap
een ecosysteem
een soort
een populatie
CH4, CO2 en carbonaten zijn organische stoffen
waar
niet waar: CH4 is een organische stof
niet waar: CO2 en carbonaten zijn anorganische stoffen
Schimmelcellen zijn autotroof
waar
niet waar
Eukaryoot betekent meercellig
waar
niet waar
Alle organismen hebben een celkern
waar
niet waar
Een virus is geen organisme
waar, want een virus vertoont alle levenskenmerken
niet waar, want het is een ziekteverwekker
niet waar, het kan zich niet zelfstandig voortplanten
In Artis wonen een olifant, een muis en een zebra. Welk dier koelst het snelst af op een winterse dag?
de muis
de olifant
de zebra
