Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Quiz NL stof t/m week 39

Total questions: 37

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Ik

a)

Eerste persoon enkelvoud

b)

Eerste persoon meervoud

c)

Tweede persoon enkelvoud

d)

Derde persoon meervoud

2.

Wij

a)

Eerste persoon meervoud

b)

Tweede persoon meervoud

c)

Derde persoon meervoud

d)

Eerste persoon enkelvoud

3.

Hun

a)

Tweede persoon enkelvoud

b)

Derde persoon meervoud

c)

ABSOLUUT NOOIT ALS ONDERWERP GEBRUIKEN

d)

DIT IS EEN BEZITTELIJK VOORNAAMWOORD

4.

Zij (1 meisje)

a)

Eerste persoon meervoud

b)

Tweede persoon enkelvoud

c)

Derde persoon enkelvoud

d)

Derde persoon meervoud

5.

Hij

a)

Eerste persoon meervoud

b)

Derde persoon enkelvoud

c)

Tweede persoon enkelvoud

d)

Derde persoon enkelvoud

6.

Jullie hebben

a)

Derde persoon meervoud tegenwoordige tijd

b)

Tweede persoon meervoud tegenwoordige tijd

c)

Tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd

d)

Eerste persoon enkelvoud verledentijd

7.

Ik had

a)

Eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd

b)

Derde persoon meervoud tegenwoordige tijd

c)

Eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd

d)

Eerste persoon enkelvoud verleden tijd

8.

Wij gaan

a)

Tweede persoon meervoud tegenwoordige tijd

b)

Eerste persoon meervoud tegenwoordige tijd

c)

Derde persoon meervoud tegenwoordige tijd

9.

Wij kopen een ijsje. Kopen is een...

a)

Persoonsvorm

b)

Infinitief

c)

Voltooid deelwoord

10.

Wij gaan een ijsje kopen. Gaan is een...

a)

Persoonsvorm

b)

Infinitief

c)

Voltooid deelwoord

11.

Wij gaan een ijsje kopen. Kopen is...

a)

Persoonsvorm

b)

Infinitief

c)

Voltooid deelwoord

12.

Ze liep naar huis. Liep =

a)

pv

b)

vdw

c)

inf

13.

Ze is naar huis gelopen. 'Gelopen' =

a)

pv

b)

vdw

c)

inf

14.

Samen lopen we naar huis. Lopen =

a)

pv

b)

vdw

c)

inf

15.

Wij gaan naar huis lopen. Lopen =

a)

pv

b)

vdw

c)

inf

16.

Wij willen een ijsje kopen.

a)

Willen = werkwoordelijk gezegde (ww. gez.)

b)

Kopen = ww. gez.

c)

Willen kopen = ww. gez.

d)

willen een ijsje kopen = ww. gez.

17.

Dus toen hadden we een ijsje gekocht.

a)

Hadden gekocht = ww. gez.

b)

Hadden = ww. ge.z

c)

Gekocht = ww. gez.

18.

Ik ben komen lopen.

a)

Ben komen = ww. gez.

b)

Ben komen lopen = ww. gez.

c)

Komen lopen = ww. gez.

19.

De blije meisjes hinkelen.

a)

Meisjes = onderwerp (ow)

b)

De blije meisjes = ow

c)

Blije meisjes = ow

d)

Hinkelen = ow

20.

Gisteren heb ik de kippen gevoerd.

a)

Gisteren = ow

b)

Ik = ow

c)

De kippen = ow

d)

Gevoerd is = ow

21.

De jongens lachen om een film.

a)

De jongens = ow

b)

Lachen = ow

c)

Een film = ow

22.

Het meisje speelt in de zandbak.

a)

De pv is goed geschreven.

b)

De pv is niet goed geschreven.

23.

Houdt jij ook zo van chocola?

a)

De pv is goed geschreven.

b)

De pv is fout geschreven.

24.

Het vliegtuig (landen) om 21 uur.

a)

Land

b)

landt

c)

lant

25.

Ik (bespieden) de kat van de buurvrouw.

a)

bespied

b)

bespiedt

c)

bespiet

26.

Je (raden) nooit wat ik voor mijn verjaardag heb gekregen.

a)

raad

b)

raadt

c)

raat

27.

Wat (kleden) jij je toch altijd mooi.

a)

kleed

b)

kleedt

c)

kleet

28.

De grondvorm van 'bloem'?

a)

bloem

b)

bloemen

c)

bloemetje

29.

Wat is de grondvorm van 'gelopen'?

a)

loop

b)

lopen

30.

Wat is de grondvorm van huizen?

a)

huiz

b)

huis

c)

huizen

31.

Een synoniem is...

a)

Een ander woord met dezelfde betekenis. (wc-toilet)

b)

Twee dezelfde woorden met elk een andere betekenis. (bank-bank)

32.

Het synoniem van precies:

a)

slordig

b)

exact

c)

netjes

33.

'De aap komt uit de mouw'.

a)

Letterlijk: er komt een aap uit de mouw van een trui. Figuurlijk: De ware bedoeling komt naar boven.

b)

Figuurlijk: er komt een aap uit de mouw van een trui. Letterlijk: De ware bedoeling komt naar boven.

34.

Het tekstdoel van een krantenartikel is...

a)

Amuseren

b)

Overtuigen

c)

Overhalen

d)

Informeren

35.

Het tekstdoel van een handleiding is...

a)

Informeren

b)

Uitleg geven

c)

Amuseren

d)

Overhalen

36.

Het tekstdoel van een reclametekst is...

a)

Overtuigen

b)

Overhalen

c)

Mening laten vormen

d)

Amuseren

37.

Een songtekst heeft als tekstdoel...

a)

Mening laten vormen

b)

Informeren

c)

Amuseren

d)

Overhalen