wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voorbereiding TW 1 M4

Total questions: 78

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.

Hiernaast zie je een plantencel. Welk onderdeel hoort bij nummer 2?

a)

celkern

b)

vacuole

c)

cytoplasma / celplasma

d)

celwand

2.
Een cel van een dier heeft net zoals een plant
a)
een celwand
b)
een vacuole
c)
een celmembraan
d)
bladgroenkorrels
3.
Deze cel is van een
a)
dier
b)
plant
c)
schimmel
d)
bacterie
4.

De opbouw van een plant van boven naar onder is:

a)

Organisme -> Orgaan -> Weefsel -> Cel

b)

Organisme -> Orgaan -> Cel -> Weefsel

c)

Organisme -> Weefsel -> Orgaan -> Cel

d)

Cel -> Orgaan -> Weefsel -> Organisme

5.

Kruidachtige planten zijn stevig door:

a)

Water in de cel

b)

Water buiten de cel

c)

Door dikke celwanden van houtstof

d)

Door dunne celwanden van houtstof

6.

Houtachtige planten zijn stevig door:

a)

Water in de cel

b)

Water buiten de cel

c)

Door dikke celwanden van houtstof

d)

Door dunne celwanden van houtstof

7.
Uit welke delen bestaat ons zenuwstelsel?
a)
Zenuwen en hersenen
b)
Centraal zenuwstelsel
c)
Zenuwen en centraal zenuwstelsel
d)
Zenuwen en zenuwcellen
8.
Hoeveel soorten zenuwcellen bestaan er?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
9.
Waar zitten de schakelcellen?
a)
In het centraal zenuwstelsel
b)
Alleen in het ruggenmerg
c)
Alleen in de hersenen
d)
Overal in ons lichaam
10.
Het ruggenmerg begint bij de hersenstam en eindigt bij het staartbotje
a)
Dat klopt
b)
Nee, het eindigt in het heiligbeen
c)
Nee, het eindigt bij de lendenwervels
11.
Waar in het ruggenmerg ligt de grijze stof?
a)
In het merg
b)
In de schors
c)
Komt in beide voor
12.
Een reflex is een bewuste reactie. Dit is ......
a)

Goed

b)
Fout
13.
Welke weg leggen impulsen af bij een reflexboog?
a)
Gevoelszenuwcel->schakelcel->grote hersenen->schakelcel_.bewegingszenuwcel
b)
Gevoelszenuwcel->schakelcel->hersenstam ->schakelcel_.bewegingszenuwcel
c)
Gevoelszenuwcel->schakelcel->bewegingszenuwcel
14.
Wat voor werking heeft de hypofyse?
a)
De hypofyse maakt hormonen
b)
De hypofyse regel groei van beenderen van het skelet.
c)
De hypofyse regelt de werking van andere hormoonklieren.
d)
De hypofyse regelt de groei van beenderen van het skelet en regelt de werking van andere hormoonklieren
15.
Op welke manier kunnen geproduceerde stoffen in klieren worden afgevoerd?
a)
Via kanaaltjes, afvoerbuisjes
b)
Via het bloed
c)
Zowel via afvoerbuisjes als via het bloed
16.
Wat nemen de kegeltjes in je ogen waar?
a)
Kleur 
b)
Contouren
c)
Niks
d)
Zwart en wit
17.
Welk hormoon wordt er in een lichaam aangemaakt, wanneer de suikerspiegel te laag is.
a)
Insuline
b)
Glucagon
c)
Glucose
d)
Glucogeen
18.
Juist of onjuist?
Zonder oorschelp kan ik niet horen?
a)
Juist
b)
Onjuist
19.
Wat is de functie van de pupilreflex?
a)
Zorgt voor een omgekeerd beeld op het netvlies
b)
Ervoor zorgen dat er steeds een scherp beeld op het netvlies staat
c)
De hoeveelheid licht regelen die op het netvlies valt.
20.
Waar begint de reflexboog van de pupilreflex?
a)
In de iris 
b)
In het netvlies 
c)
In de lens
21.
Waar vindt de ‘’vertaling’’ van het omgekeerde beeld dat op het netvlies valt plaats?
a)
In de oogzenuwen
b)
In het gezichtscentrum in de grote hersenen
c)
In de zintuigcellen van het netvlies
22.
Welke zintuigcellen werken in een donkere kamer? 
a)
Alleen kegeltjes
b)
alleen staafjes
c)
zowel kegeltjes als staafjes
23.
Hoe heet het deel van je oog waarmee je echt scherp ziet
a)
netvlies
b)
blinde vlek
c)
gele vlek
d)
oogzenuw
24.
Pupilreflex : Bij sterk licht 
a)
trekken de kringspiertjes zich samen, en ontspannen de lengtespiertjes 
b)
trekken de lengtespiertjes samen en ontspannen de kringspiertjes 
c)
trekken zowel lengte als kringspiertjes samen
25.
Wat wordt aangeduid met het cijfer 5? 
a)
voorste kamer
b)
netvlies
c)
glasachtig lichaam
26.
De lens van een oog is bol. Kijkt dit oog nu naar een voorwerp ver weg of dichtbij?
a)
ver weg
b)
dichtbij
27.
Wat is de adequate prikkel van het oor?
a)
Geluidstrillingen
b)
Licht
c)
Geur
d)
Waarnemen
28.
Vanuit de ... komt de prikkel aan bij het trommelvlies.
a)
Oorschelp
b)
Gehoorgang
c)
Trommelholte
29.
Het trommelvlies geeft de prikkel door aan de ...
a)
Gehoorgang
b)
Slakkenhuis
c)
Gehoorbeentjes
30.
Waar liggen de gehoorzintuigcellen?
a)
In het evenwichtsorgaan
b)
In de gehoorzenuw
c)
In het slakkenhuis
d)
Tussen de gehoorbeentjes
31.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Keelholte
b)
Buis van Eustachius
c)
Trommelholte
32.
Welk onderdeel is hier aangegeven?
a)
Buis van Eustachius
b)
Gehoorgang
c)
Gehoorzenuw
33.
Het drukzintuig is een onderdeel van de huid.
a)
Juist
b)
Onjuist
34.
De verschillende smaken die de smaak zintuigcellen kunnen onderscheiden zijn:
a)
Zuur, Zout, Zoet
b)
Zuur, Zout, Zoet, Pittig
c)
Pittig, Bitter, Zoet, Zout
d)
Zoet, Zout, Zuur, Bitter
35.
Bij welk zintuig hoort deze afbeelding?
a)
Gehoor-zintuig
b)
Gezichts-zintuig
c)
Reuk-zintuig
d)
Smaak-zintuig
36.
Met een droge tong proef je even goed als met een vochtige tong.
a)
Juist
b)
Onjuist
37.
Met dit deel van het oog kan je scherp zien.
a)
Iris
b)
Pupil
c)
Harde oogvlies
d)
Lens
38.
Vet is een anorganische stof
a)
Juist
b)
Onjuist
39.
Wat zijn enzymen?
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Mineralen
d)
Vetten
40.
1 enzym kan...
a)
Knippen
b)
Plakken
c)
Knippen EN plakken
d)
Knippen OF  plakken
41.
Dit organisme doet...
a)
Verbranding
b)
Fotosynthese
c)
Verbranding EN fotosynthese
d)
Niks
42.
Zetmeel van glucose maken noemen we...
a)
Onsimilatie
b)
Dissimilatie
c)
Assimilatie
d)
Stimulatie
43.
In jou zit(ten)...
a)
Organische EN anorganische stoffen
b)
Organische stoffen
c)
Anorganische stoffen
44.

Hoe hoger de pH (zuurgraad) hoe zuurder het is

a)

Juist

b)

Onjuist

45.

In organische stoffen zit veel energie.

a)

juist

b)

onjuist

46.

Vertering is een voorbeeld van stofwisseling

a)

juist

b)

onjuist

47.

Planten doen niet aan stofwisseling.

a)

juist

b)

onjuist

48.

Wat is eer verschil tussen een hormoonklier en speekselklier?

a)

een hormoonklier is groter

b)

een hormoonklier is kleiner

c)

een hormoonklier heeft een afvoerbuis

d)

een hormoonklier heeft geen afvoerbuis

49.

hoe kunnen hormonen zich verplaatsen?

a)

via zenuwen

b)

via bloed

c)

door de huid

d)

niet

50.

Welk orgaan heeft deze taak:

Nemen water en mineralen op uit de bodem, zetten de plant vast in de bodem.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

51.

Hoe noem je de buisjes waarmee voedsel en water worden vervoerd?

a)

Bloedvaten

b)

Buizen

c)

Vaatbundels

d)

Gangen

52.

Dit is een rode biet. Wat rood is, kan je opeten. Welk deel van de plant eet je?

a)

De wortel

b)

De stengel

c)

De bladeren

53.

Wat is de functie van de wortelharen?

a)

Water en voedingsstoffen opnemen uit de grond

b)

Water en zuurstof opnemen uit de grond

c)

Zuurstof en suikers maken

54.

Hoe krijgt de plant energie?

a)

Fotolyse

b)

Fotografie

c)

Fotosynthese

d)

Fotocamera

55.
Wat heeft een plant nodig voor fotosynthese?
a)
Koolstofdioxide, licht en water
b)
Koolstofdioxide, licht en zuurstof
c)
Koolstofdioxide, water en zuurstof
d)
Licht, water en zuurstof
56.

Zitten er bladgroenkorrels in de sluitcellen van de huidmondjes

a)

ja

b)

nee

57.

welke organische stof ontstaat bij fotosynthes

a)

Water

b)

Koolstofdioxide

c)

Glucose

d)

Zuurstof

58.

Wat is de energie leverancier van al het leven?

a)

Water

b)

Koolstofdioxide

c)

Zonlicht

d)

Zuurstof

59.

welke stoffen zijn anorganisch (meerdere antwoorden kiezen)

a)

zuurstof

b)

zetmeel

c)

goud

d)

vetten

e)

water

60.

Welke stof wordt gebruikt als brandstof bij verbranding in een plant

a)

zetmeel

b)

vet

c)

glucose

d)

zuurstof

61.

Kan een plant water opnemen via de huidmondjes en koolstofdioxide

a)

Alleen water wordt opgenomen via de huidmondjes

b)

Water en koolstofdioxide worden opgenomen via de huidmondjes

c)

Alleen koolstofdioxide wordt opgenomen via de huidmondjes

d)

Geen van beide stoffen wordt opgenomen via de huidmondjes

62.

de bastvaten vervoeren

a)

water met opgeloste suikers

b)

water met opgeloste voedingszouten uit de boedem

63.

Bladluizen zuigen hun voedsel uit de ....

a)

bastvaten

b)

houtvaten

64.

Als bij voortplanting de nakomeling precies de zelfde erfelijke eigenschappen heeft als de ouder is er spraken van....

a)

geslachtelijke voortplanting

b)

ongeslachtelijke voortplanting

65.

Is de volgende 3 bewering waar of niet waar:

Windbestuiving is geen geslachtelijke voortplanting

a)

waar

b)

niet waar

66.

Is de meeldraad is het mannelijk geslachtsorgaan van de plant?

a)

ja

b)

nee

67.
Deze cellen hebben cytplasma
a)
Dierlijke cel
b)
Plantaardige cel
c)
Beide soorten cellen
d)
Allebei niet
68.
Koolstofdioxide + water + zonne-energie ==> glucose + zuurstof
a)
Dit is fotosynthese
b)
Dit is verbranding
c)
Dit is fotosynthese én verbranding
d)
Dit is geen van twee
69.
glucose + zuurstof ==> Koolstofdioxide + water + energie
a)
Dit is fotosynthese
b)
Dit is verbranding
c)
Dit is fotosynthese én verbranding
d)
Dit is geen van twee
70.
Een plant met dikke bladeren:
a)
leeft in een droge omgeving
b)
leeft in een vochtige omgeving
c)
leeft onder water
71.
Een plant met stekels in plaats van bladeren:
a)
leeft in een droge omgeving
b)
leeft in een vochtige omgeving
c)
leeft onder water
72.
Planten hebben bloemen voor
a)
geslachtelijke voortplanting
b)
ongeslachtelijke voortplanting
c)
de sier
73.
Een insectenbloem heeft in verhouding
a)
grote gekleurde kroonbaden
b)
grote groene kroonbladen
c)
kleine groene kroonbladen
d)
kleine gekleurde kroonbladen
74.
Een insectenbloem heeft meestal
a)
geen geur
b)
wel geur
75.
Een windbloem maakt
a)
geen nectar
b)
wel nectar
76.
Een aardbeiplant is een voorbeeld van
a)
een bol
b)
een knol
c)
een wortelstok
d)
een uitloper
77.
De houtvaten in de plant vervoeren stoffen 
a)
van de wortels naar boven
b)
van de bladeren naar beneden
c)
allebei kanten
78.
De huidmondjes in het blad van de plant zorgen voor
a)
opname van CO2
b)
opname O2
c)
afgifte van CO2
d)
opname van H2O