wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

7.1 t/m 7.4 Havo2vwo 2019-2020

Total questions: 80

Worksheet time: 46mins

Name
Class
Date
1.
Uit hoeveel vakken bestaat de schijf van vijf?
a)
4 vakken
b)
5 vakken
c)
2 vakken
2.
Een voorbeeld van een eetgewoonte is:
a)
De afwasmachine inruimen.
b)
Met stokjes eten
3.
Er zijn zes voedingsstoffen. In welke voedingsmiddelen vind je veel eiwitten?
a)
melk, ei en vlees
b)
melk, ei en brood
c)
melk, kaas en citroen
d)
melk, ei en spinazie.
4.
Welke van de onderstaande voedingsstoffen levert veel energie.
a)
vitamines
b)
mineralen
c)
vet
5.
Sanne wil afvallen en eet alleen nog maar sinaasappels. Is dit een goede manier om af te vallen?
a)
ja, want ze krijgt veel vitamines binnen.
b)
Nee, want je hebt ook andere voedingsstoffen nodig.
6.
Water is een voedingsstof.
a)
goed
b)
fout
7.
Voorbeelden van voedingsmiddelen waar veel koolhydraten inzitten zijn:
a)
vlees en vis
b)
brood en macaroni
c)
melk en yoghurt
8.
Overgewicht wil zeggen dat...
a)
je te zwaar bent ten opzichte van je lengte.
b)
je een leider bent in een groepje.
9.
Je kunt verslaafd raken aan suiker.
a)
nee
b)
ja
10.
Gevarieerd eten betekent:
a)
Dat je veel dezelfde producten eet.
b)
Dat je veel verschillende producten eet.
c)
Dat je veel zuivel eet.
11.

Waar zijn je eetgewoonten afhankelijk van?

a)

Familie, vrienden, omgeving

b)

Familie, voorkeur, land waar je woont/ vandaan komt

c)

Geloof, voorkeur, land waar je woont/ vandaan komt

d)

Familie, geloof, land waar je woont/ vandaan komt

12.

Welke opsomming bestaat volledig uit voedingsstoffen? Lees goed!

a)

Granen, rijst, bonen

b)

Calcium, ijzer, vetten

c)

Vetten, vlees, vis

d)

Koolhydraten, suikers, honing

13.

Wat is de belangrijkste functie van energierijke stoffen?

a)

Bewegen/ warm blijven

b)

Groei

c)

Gezond blijven

14.

Wat is de belangrijkste functie van bouwstoffen?

a)

Bewegen/ warm blijven

b)

Groei

c)

Gezond blijven

15.

Wat is de belangrijkste functie van beschermende stoffen?

a)

Gezond blijven

b)

Groei

c)

Bewegen/ warm blijven

16.

Hoeveel gram energierijke stoffen bevat dit product?

a)

66 gram

b)

77 gram

c)

2640 jK

d)

640 kcal

17.

Welke voedingsstof heeft een rode bloedcel vooral nodig?

a)

Calcium

b)

Vetten

c)

IJzer

d)

Vitaminen

18.
Parasieten leven in of op ...
a)
levende organismen
b)
niet-levende organismen
c)
bedorven voedsel
d)
enkel dieren
19.
Welke bewaartechniek zie je hier?
a)
diepvriezen
b)
verpakken
c)
drogen
d)
vacuüm verpakken
20.
Op welke temperatuur moet je best invriezen?
a)
-24°C
b)
-15°C
c)
-5°C
d)
-50°C
21.

Wat zijn de brandstoffen in je lichaam?

a)

Eiwitten en vetten

b)

Koolhydraten en vetten

c)

Eiwitten, mineralen en koolhydraten

d)

Koolhydraten, vitamines en vetten

e)

Vezels en vetten

22.

Eiwitten zijn......in je lichaam

a)

Brandstoffen

b)

Bouwstoffen

c)

Aminozuren

d)

Beschermingsstoffen

23.

Welke stof neem je niet op in je lichaam

a)

Vezels

b)

Spoorelementen

c)

Aminozuren

d)

glycerol

24.

Hoe noem je stoffen die voedselbederf door bacteriën en schimmels tegen gaan?

a)

Spoorelementen

b)

Additieven

c)

Conserveermiddelen

d)

E-nummers

25.

Wanneer melk wordt verhit tot 129 graden, kun je zeggen dat het .....

a)

Gepasteuriseerd is

b)

gesteriliseerd is

26.
Joodoplossing toont ..... aan
a)
Vitaminen
b)
Wit
c)
Zetmeel
d)
Glucose
27.
Wat geeft nummer 4 aan?
a)
galblaas
b)
maag
c)
Nier
d)
Lever
28.
Nummer 5 is de
a)
Dunne darm
b)
Dikke darm
c)
Endeldarm
d)
Blinde darm
29.
Deze voedingstof is bouwstof en brandstof maar geen reservestof of beschermende stof.
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Water
30.
Welke voedingstof moet je verteren voor het opgenomen kan worden?
a)
Glucose
b)
Mineralen
c)
Water
d)
Zetmeel
31.
Dit doodt bacteriën. 
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagzuur
d)
Darmsap
32.
Hoe heet orgaan 1?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
33.
Hoe heet orgaan 3?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
34.

Dit sap verteert vetten, eiwitten en koolhydraten

a)

Alvleessap

b)

Gal

c)

Maagsap

d)

Speeksel

35.
Dit sap zorgt ervoor dat vet en water kunnen mengen.
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagsap
d)
Speeksel
36.
Hier wordt de voedselbrij ingedikt.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
37.

Hier worden de koolhydraten opgenomen in het bloed

a)

Dikke darm

b)

Dunne darm

c)

Twaalfvingerige darm

38.
Deze darm bevat darmvlokken.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
39.
Welk orgaan maakt alvleessap?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
40.
Welk orgaan maakt gal?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
41.
Je slikt een stukje brood door. Welk orgaan komt dit voedingsmiddel het eerste tegen?
a)
Dunne darm
b)
Maag
c)
Twaalvingerige darm
d)
Dikke darm
42.
Welke stoffen komen uiteindelijk in je endeldarm terecht?
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Vezels
43.

Welke groepen van voedingsstoffen zijn er?

a)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten en vitaminen

b)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, mineralen, water en vitaminen

c)

Eiwitten, vetten, mineralen, zouten, water en vitaminen

d)

Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten, mineralen, water en vitaminen

44.
De functie van voedingsvezels is het bevorderen van de darmperistaltiek
a)
Juist
b)
Onjuist
45.
De functie van glazuur is?
a)
Laagje om het tandbeen van de wortels
b)
Het bevestigt de tand of kies in de kaak
c)
Zeer harde laag om het tandbeen van de kroon
d)
Het deel dat buiten de kaak uitsteekt
46.
Een bouwvakker heeft .... energie nodig dan iemand met een kantoor baan
a)
Meer
b)
Minder
c)
Evenveel
47.
Welke verteringsklieren geven verteringssappen af aan de voedselbrij in de twaalfvingerige darm
a)
lever en alvleesklier
b)
lever en maag
c)
alvleesklier en dunne darm
d)
gal en lever
48.
Onder beschermende stoffen vallen de 
a)
Koolhydraten en vetten
b)
mineralen en vitaminen
c)
Water en vitaminen
d)
Vitaminen en voedingsstoffen
49.

In de afbeelding is het verband tussen de temperatuur en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Bij welke temperaturen is dit enzym tijdelijk onwerkzaam?

a)

alleen bij temperaturen onder de 10°C

b)

alleen bij temperaturen onder de 35°C

c)

alleen bij temperaturen boven de 50°C

d)

Zowel bij temperaturen onder de 10°C als boven de 50°C

50.

In de afbeelding is het verband tussen de temperatuur en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Bij welke temperaturen is dit enzym voor altijd onwerkzaam?

a)

alleen bij temperaturen onder de 10°C

b)

alleen bij temperaturen onder de 35°C

c)

alleen bij temperaturen boven de 50°C

d)

Zowel bij temperaturen onder de 10°C als boven de 50°C

51.

Enzym uit speeksel breekt zetmeel af tot suikers. Een reageerbuis bevat een zetmeeloplossing. De temperatuur van de oplossing is 0 °C. Aan de oplossing wordt speeksel toegevoegd. Vervolgens wordt de reageerbuis langzaam verwarmd tot 90 °C.

Welke grafiek in de afbeelding geeft de verandering van de hoeveelheid suiker in de reageerbuis juist weer?

a)

grafiek 1

b)

grafiek 2

c)

grafiek 3

52.
wat is je BMI?
a)
de verhouding tussen je lengte en je gewicht
b)
een maat voor gezond gewicht per leeftijd
c)
een instelling die bepaald hoeveel je mag eten per dag
53.
Waarvan is de hoeveelheid eten die je per dag nodig hebt afhankelijk?
a)
leeftijd
b)
lengte
c)
geslacht
d)
alle drie
54.

De hoeveelheid energie wordt uitgedrukt in de eenheid...

a)

kilojoule en of in kilocalorie

b)

voedingsmiddel

c)

kilogrammen

55.

Om te bepalen of je een gezond gewicht hebt, gebruik je de ....

a)

Boys Master Index (BMI)

b)

Body Mass Indentificatie (BMI)

c)

Body Mass Index (BMI)

56.

Een hartinfarct wordt veroorzaakt door een....

a)

verstopte ader

b)

verstopte holle ader

c)

verstopte haarvaten

d)

verstopte kransslagader

57.

Wat is cholesterol?

a)

een vetachtige stof die je lichaam gebruikte om bloed te vervoeren

b)

een vetachtige stof die je lichaam gebruikt om nieuwe cellen te maken

c)

een vetachtige stof die je lichaam gebruikt om adem te halen

58.

Een te veel aan cholesterol veroorzaakt ....

a)

een te hoge bloeddruk

b)

een hartinfarct

c)

een trombose

d)

er gebeurt helemaal niks

59.

Door het eten van veel zoete voedingsmiddelen kun je sneller last krijgen van gaatjes in je tanden en kiezen.

a)

Dan krijg je rotte tanden

b)

Dat heet tandbederf of cariës

c)

Dan moet je een kunstgebit

60.

Hoe ontstaat een gaatje in je tanden of kiezen?

a)

bacteriën verteren suiker in je mond en zetten dit om in zuur. Dat zuur tast het tandglazuur aan, waardoor het zachte tandbeen oplost. Resultaat: gaatje

b)

bacteriën verteren koolhydraten in je mond en zetten dit om in zuur. Dat zuur tast het tandglazuur aan, waardoor het zachte tandbeen oplost. Resultaat: gaatje

c)

bacteriën verteren vitamines in je mond en zetten dit om in zuur. Dat zuur tast het tandglazuur aan, waardoor het zachte tandbeen oplost. Resultaat: gaatje

61.

Waar zou je je tanden mee moeten poetsen? Tandpasta met het mineraal.......

a)

kalk

b)

fluoride

c)

neon

d)

koper

62.

Eiwitten kun je vergelijken met een lange ketting. Die ketting is opgebouwd uit kralen. Die kralen heten.....................

a)

salmiakzuren

b)

aminozuren

c)

eiwitten

63.

Eiwitten in je lichaam hebben verschillende functies:

a)

opbouw van weefsels, organen op de juiste plaats houden, transport van stoffen in het bloed en in de cellen, regeling van processen

b)

opbouw van weefsels, organen op de juiste plaats houden, transport van stoffen in het bloed en in de cellen, regeling van structuur

64.

Het belangrijkste structuureiwit is................... Het vormt een sterk soort netwerk, waardoor je organen niet (veel) kunnen schuiven.

a)

myosine

b)

elastine

c)

collageen

65.

Welk eiwit zorgt ervoor dat je huid soepel blijft?

a)

elastine

b)

actine

c)

myosine

d)

collageen

66.

ADH betekend:

a)

Aanbevolen Dagelijkse Hoeveelheid

b)

Aanbevolen Dagelijkse Hapjes

c)

Aan te bevelen Degelijke Honden

d)

Aanbevolen Dagelijkse Hamburgers

67.

Als je te weinig vitaminen en mineralen eet, kun je een............krijgen

a)

huidveroudering

b)

eetstoornis

c)

gebreksziekte

68.

Gebreksziekten komen met name voor in arme landen. Ze eten dan alleen maar pap en rijst en krijgen daar daardoor te weinig vitaminen en mineralen binnen.. De mensen eten....

a)

te weinig

b)

eenzijdig

69.

Zijn vaak onzeker, verslaafd aan afvallen, verkeerd zelfbeeld, zien zichzelf dikker dan ze daadwerkelijk zijn.

a)

Anorexia nervosa

b)

Boulimia nervosa

70.

Last van vreetbuien, na een vreetbui spijt hebben, braken of laxeermiddelen gebruiken, normaal gewicht

a)

Anorexia nervosa

b)

Boulimia nervosa

71.

Voedselbederf ontstaat doordat ......... en......... op en in voedsel groeien.

a)

bacteriën en kaas

b)

bacteriën en vlees

c)

schimmels en melk

d)

schimmels en bacteriën

72.

Schimmels bestaan uit:

a)

dunne draden

b)

één cel

73.

bacteriën bestaan uit:

a)

dunne draden

b)

één cel

74.

Bacteriën vermeerderen zich door:

a)

afstervingsfase

b)

lagfase

c)

celdeling

75.

Voedselbederf kun je voorkomen of vertragen door een product.....................

a)

niet kopen

b)

snel op te eten

c)

weg te gooien

d)

te conserveren

76.

Welke giftige stof produceren bacteriën waardoor je ziek wordt?

a)

Waxine

b)

Round-up

c)

Toxine

77.

Van bacteriën kun je een ........ krijgen

a)

voedselinfectie

b)

voedselvergiftiging

78.

Van schimmels kun je een .........krijgen

a)

voedselinfectie

b)

voedselvergiftiging

79.

Organismen die alleen kunnen overleven op of in een ander organisme zijn...

a)

parachutes

b)

parasieten

c)

antrasiete

80.

Wat is LD50?

a)

Dit is de dosis waarbij 50% van de organismen sterft als ze aan de stof worden blootgesteld. Hoe lager de LD50, hoe giftiger de stof

b)

Dit is de dosis waarbij 50% van de organismen sterft als ze aan de stof worden blootgesteld. Hoe hoger de LD50, hoe giftiger de stof