NEW
Font size
S
M
L
XL
Worksheetsademhaling verbranding en spijsvertering 1
Total questions: 22
Worksheet time: 15mins
Name
Class
Date
1.
Welke 2 stoffen komen altijd vrij bij de verbranding van een kaars?
a)
zuurstof en water
b)
kaarsvet en koolstofdioxide
c)
water en koolstofdioxide
d)
water en zuurstof
water en kaarsvet
water en kaarsvet
2.
Wat is een indicator?
a)
Een stof waar iets inzit
b)
Een orgaan
c)
Een stof waarmee ik een andere stof aantoon
d)
Een stof waarmee ik een andere stof weg krijg
3.
Wat kan ik aantonen met helder kalkwater?
a)
zuurtsof
b)
stikstof
c)
koolstodioxide
d)
helium
4.
Wat is waar?
a)
In uitgeademde lucht zit meer zuurstof dan ingeademde lucht
b)
in ingeademde lucht zit meer koolstofdioxide dan uitgeademde lucht
c)
In ingeademde lucht zit meer zuurstof dan uitgeademde lucht
d)
In ingeademde lucht zit evenveel zuurstof als uitgeademde lucht
5.
Wat is de stand van de huig en strottenklep bij inademen?
a)
open, open
b)
dicht,open
c)
open, dicht
d)
beide dicht beide dicht
6.
Welke pijl geeft de richting van CO2 aan?
a)
Q
b)
P
c)
2
7.
de spijsvertering is een heel proces.
in welk orgaan eindigt de spijsvertering?
in welk orgaan eindigt de spijsvertering?
a)
maag
b)
endeldarm
c)
mond
d)
dunne darm
8.
Wat is emulgeren ?
a)
Het verteren van vetten
b)
Het kleiner maken van vetdruppels
c)
Het soepel maken van vetdruppels
9.
Waar gaat deze afbeelding over?
a)
peristaltische beweging
b)
opnemen van voedingsstoffen
c)
darmbacteriën
d)
uitscheiden
10.
Voedingsmiddelen =
a)
Alles wat je eet en drinkt
b)
De stoffen die in het eten en drinken zitten
11.
Er zijn 6 groepen voedingsstoffen, welke hoort hier niet bij:
a)
eiwitten
b)
koolhydraten
c)
vezels
d)
vetten
12.
Bouwstoffen zijn nodig voor:
a)
Stoffen die cellen kunnen verbranden. Door verbranding komt energie vrij.
b)
Stoffen die je lichaam op kan slaan. Bijvoorbeeld koolhydraten en vetten
c)
Stoffen die zorgen dat je gezond blijft. Bijvoorbeeld mineralen en vitaminen
d)
Stoffen waar nieuwe cellen van worden gemaakt. Nieuwe cellen zijn nodig bij het groeien en om oude cellen te vervangen.
13.
Brandstoffen zijn nodig voor:
a)
Stoffen die cellen kunnen verbranden. Door verbranding komt energie vrij.
b)
Stoffen die je lichaam op kan slaan. Bijvoorbeeld koolhydraten en vetten
c)
Stoffen die zorgen dat je gezond blijft. Bijvoorbeeld mineralen en vitaminen
d)
Stoffen waar nieuwe cellen van worden gemaakt. Nieuwe cellen zijn nodig bij het groeien en om oude cellen te vervangen.
14.
Reservestoffen zijn nodig voor:
a)
Stoffen die cellen kunnen verbranden. Door verbranding komt energie vrij.
b)
Stoffen die je lichaam op kan slaan. Bijvoorbeeld koolhydraten en vetten
c)
Stoffen die zorgen dat je gezond blijft. Bijvoorbeeld mineralen en vitaminen
d)
Stoffen waar nieuwe cellen van worden gemaakt. Nieuwe cellen zijn nodig bij het groeien en om oude cellen te vervangen.
15.
Beschermende stoffen zijn nodig voor:
a)
Stoffen die cellen kunnen verbranden. Door verbranding komt energie vrij.
b)
Stoffen die je lichaam op kan slaan. Bijvoorbeeld koolhydraten en vetten
c)
Stoffen die zorgen dat je gezond blijft. Bijvoorbeeld mineralen en vitaminen
d)
Stoffen waar nieuwe cellen van worden gemaakt. Nieuwe cellen zijn nodig bij het groeien en om oude cellen te vervangen.
16.
Welke stelling is juist over de Schijf van vijf
a)
Elke schijf is even groot
b)
Als je uit elk vak iets eet, leef je gezond
c)
Als je uit elk vak de juiste hoeveelheden eet, krijg je van alle voedingsstoffen iets binnen
d)
Als je uit elke schijf teveel eet, val je af
17.
De hoeveelheid energie die je nodig hebt, hangt af van:
a)
Grootte, Gewicht & Geslacht, Hoeveel je beweegt
b)
Gewicht, Geslacht, Leeftijd, Hoeveel je beweegt
c)
Leeftijd, Geslacht, Gewicht, Hoeveel je beweegt
d)
Grootte, Gewicht, Leeftijd, Geslacht, Hoeveel je beweegt
18.
Als je op je handen staat en je eet / drinkt:
a)
Gaat het voedsel via de neus naar buiten
b)
Sluit de huig de neusholte af
c)
Sluit het strotklepje de neus af, sluit de huig je luchtpijp af
d)
Sluit de huig de neusholte af en het strotklepje de luchtpijp af
19.
De weg van een voedingsvezel van inname naar afgifte =
a)
mond, slokdarm, maag, dunne darm, bloed
b)
mond, slokdarm, maag, dunne darm, 12-vingerige darm, dikke darm, endeldarm, anus
c)
mond, slokdarm, maag, 12-vingerige darm, dunne darm, bloed
d)
mond, slokdarm, maag, 12vingerige darm, dunne darm, dikke darm, endeldarm, anus
20.
Holte in het tandbeen waarin bloedvaten bevinden en zenuwen liggen
a)
Glazuur
b)
Tandbeen
c)
Tandholte
d)
Cement
21.
Hoe noemen we onderdeel 4?
a)
Tandbeen
b)
Tandholte
c)
cement
d)
randvlees
22.
Deze tanden dienen om te snijden, bijten en knagen.
a)
Snijtanden
b)
Hoektanden
c)
Kiezen
d)
Melktanden
Reset
