wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voeding

Total questions: 43

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.
Voedingsmiddelen =
a)
alles wat je eet en drinkt
b)
de bruikbare bestanddelen van het eten en drinken
2.
Een eiwit is
a)
een bouwstof en een brandstof
b)
een reservestof en een beschermende stof
c)
een reservestof en een bouwstof
d)
een brandstof en een beschermende stof
3.
Deze voedingstof is bouwstof en brandstof maar geen reservestof of beschermende stof.
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Water
4.
Enzymen zorgen ervoor dat.....
a)
De verteringsreactie wordt versneld
b)
De voedingstoffen door het verteringsstelsel worden geduwd
c)
Vet met water kan mengen
d)
Bacteriën worden gedood
5.

Op de afbeelding zien we:

a)

Voedingsmiddelen

b)

Voedingsstoffen

6.

Bacteriën worden gebruikt bij de productie van:

a)

Kaas

b)

Brood

c)

Bier

d)

Wijn

7.
Schimmels worden gebruikt bij de productie van
a)
Yoghurt, Zuurkool
b)
Bier, Brood
8.
Conserveren is:
a)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën doodgaan en goed kunnen groeien
b)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën niet doodgaan en niet goed kunnen groeien
c)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën doodgaan en niet goed kunnen groeien
9.
Manieren om voedsel te conserveren zijn
a)
vacuüm verpakken
b)
drogen
c)
steriliseren
d)
alle antwoorden zijn manieren van conserveren
10.

Wat betekent het woord conserveren?

a)

Dat is een ander woord voor geur.

b)

Delen van een plant die het eten smaak geven, zoals kaneel.

c)

Genieten van lekker eten.

d)

Zorgen dat het eten langer goed blijft.

11.
Welke groepen van voedingsstoffen zijn er? 
a)
Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten en vitaminen
b)
Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten, water en vitaminen
c)
Eiwitten, vetten, mineralen, zouten, water en vitaminen
d)
Eiwitten, koolhydraten, vetten, zouten, mineralen, water en vitaminen
12.
De functies van van eiwitten zijn
a)
Bouwstoffen en brandstoffen
b)
Bouwstoffen, brandstoffen en reservestoffen 
13.
Wat kun je zetmeel mee aantonen?
a)
Met helder kalkwater
b)
Met joodoplossing
14.
Reservestoffen worden opgeslagen in bepaalde delen van je lichaam
a)
Juist
b)
Onjuist
15.
Voedingsvezels zijn alle verteerbare stoffen in plantaardig voedsel
a)
Juist
b)
Onjuist
16.
De functie van voedingsvezels is het bevorderen van de darmperistaltiek
a)
Juist
b)
Onjuist
17.
Vertering is het omzetten van voedingsmiddelen zodat ze in het bloed kunnen worden opgenomen
a)
Juist
b)
Onjuist
18.
Welke stoffen moeten verteerd worden?
a)
vetten, water, mineralen en eiwitten
b)
koolhydraten, vetten en water
c)
koolhydraten, vetten, eiwitten
d)
koolhydraten, vetten, eiwitten en vitamines
19.

Vooral een tekort aan deze voedingsstoffen kan ziekte veroorzaken

a)

beschermende stoffen

b)

brandstoffen

c)

bouwstoffen

d)

reservestoffen

20.
Wat is/zijn de functie(s) van koolhydraten
a)
Brandstof
b)
Reservestof
c)
Beiden
d)
Geen van beiden
21.
Wat is/zijn de functie(s) van vetten?
a)
Bouwstof
b)
Brandstof
c)
Reserverstof
d)
Alledrie
22.
Wat is geen functie van een voedingsstof?
a)
Beschermen
b)
Bouwen
c)
Reserve
d)
Afbreken
23.

Alle producten die je eet of drinkt noem je

a)

Voedingsproducten

b)

Voedsel

c)

Voedingsmiddelen

24.

Wat is geen voedingsmiddel?

a)

Aardappel

b)

Ei

c)

Banaan

d)

Zetmeel

25.
Waarom is koorts schadelijker dan onderkoeling?
a)
De enzymen gaan denatureren.
b)
Nee, koorts is niet gevaarlijker
26.
Bij welke temperatuur werken enzymen het beste?
a)
21 ⁰C
b)
37 ⁰C
c)
45 ⁰C
d)
geen van deze
27.
Waarom hebben warmbloedige dieren een goede stofwisseling?
a)
omdat hun enzymen altijd goed moeten werken
b)
warmbloedig moet koudbloedig zijn
28.
Bij welke pH werken de enzymen in de maag het beste?
a)
12
b)
7
c)
2
d)
alle bovenstaande
29.
Bij welke pH werken enzymen in je mond het beste?
a)
basisch
b)
neutraal
c)
zuur
30.

Welke factor beïnvloed de werking van bacteriën en schimmels ?

a)

De luchtdruk

b)

Het hoeveelheid licht

c)

De temperatuur

d)

Het aantal enzymen

31.
Wat is anorexia nervosa.
a)
een eetziekte waarbij je heel mager wilt zijn.
b)
een eetziekte waarbij je niet kan stoppen met eten.
c)
een eetziekte waarbij je alleen maar rauwe producten eet.
32.
Er zijn zes voedingsstoffen. In welke voedingsmiddelen vind je veel eiwitten?
a)
melk, ei en vlees
b)
melk, ei en brood
c)
melk, kaas en citroen
d)
melk, ei en spinazie.
33.
Voorbeelden van voedingsmiddelen waar veel koolhydraten inzitten zijn:
a)
vlees en vis
b)
brood en macaroni
c)
melk en yoghurt
34.

Wat is de functie van eiwitten?

a)

Ze zorgen voor het transport van zuurstof

b)

Ze zijn de bouwstenen van het lichaam

c)

Ze zorgen voor de bloedsomloop

d)

Ze zorgen voor de producten van leukocyten

35.
Hoe gebruik je de schijf van vijf?
a)
Die zegt wat je MOET eten.
b)
Dit geeft je advies over gezonde voeding
c)
Het is een grote onzin
36.
Je hebt: vetten, eiwitten, water, vitamines, mineralen en koolhydraten. Welke van deze voedingsstoffen geven je energie?
a)
Vetten, water en mineralen
b)
Koolhydraten, vetten en eiwitten
c)
Eiwitten, vetten en vitamines
d)
Water, vitamines en vetten
37.
Hoe heet orgaan 1?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
38.
Hoe heet orgaan 2?
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Endeldarm
d)
Twaalfvingerige darm
39.
Dit sap zorgt ervoor dat vet en water kunnen mengen.
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagsap
d)
Speeksel
40.
Hier wordt de voedselbrij ingedikt.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
41.
Deze darm bevat darmvlokken.
a)
Dikke darm
b)
Dunne darm
c)
Twaalfvingerige darm
42.
Welk orgaan maakt alvleessap?
a)
5
b)
6
c)
7
d)
8
43.
De functie van glazuur is?
a)
Laagje om het tandbeen van de wortels
b)
Het bevestigt de tand of kies in de kaak
c)
Zeer harde laag om het tandbeen van de kroon
d)
Het deel dat buiten de kaak uitsteekt