WorksheetsVWO 2 Regelmatige werkwoorden
Total questions: 20
Worksheet time: 3mins
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
j' (donner) passé composé
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
ils (finir) présent
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
nous (vendre) passé composé
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
on (parler) présent
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
ils (choisir) présent
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
tu (grandir) imparfait
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
elles (chercher) imparfait
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
vous (perdre) passé composé
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
il (attendre) passé composé
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
je (rougir) présent
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
elles (habiter) passé composé
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
elle (répondre) présent
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
tu (réussir) présent
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
j' (rencontrer) passé composé
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
on (chanter) imparfait
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
il (entendre) imparfait
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
nous (visiter) présent
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
elles (sortir) passé composé
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
elle (aller) passé composé
(a)
Zet in de goede vorm en tijd. Let op accenten. Je hoeft geen hoofdletters te gebruiken.
vous (réfléchir) imparfait
(a)
