NEW
Font size
S
M
L
XL
Worksheetsstemmingsstoornissen: Depressie NATW
Total questions: 20
Worksheet time: 10mins
Name
Class
Date
1.
Depressieve stoornissen worden als _______________ beschouwd, omdat de stoornis slechts één richting heeft.
a)
univariaat
b)
unipolair
c)
specifiek
d)
bivariaat
e)
bipolair
2.
_______________ is het meest voorkomende type diagnosticeerbare stemmingsstoornis in Nederland.
a)
Dysthyme stoornis
b)
Bipolaire stoornis
c)
(Ernstige) depressie
d)
Cyclothymische stoornis
3.
Geschat wordt dat wereldwijd ______ miljoen mensen lijden aan een depressie.
a)
20
b)
230
c)
150
d)
540
4.
Alle volgende verschijnselen zijn kenmerken van seizoensgebonden depressie, BEHALVE: _______________.
a)
Vermoeidheid
b)
Gewichtstoename
c)
Overmatig slapen
d)
Misselijkheid
5.
Bij de _______________ benadering van depressie ligt de nadruk op de effecten van verlies op iemands gevoel van eigenwaarde of zelfachting en wordt beschouwd hoe mensen hun aandacht richten na een verlies
a)
Cognitieve
b)
Psychodynamische
c)
Leertheoretische
d)
Humanistische
6.
Wie suggereerde dat depressie kan ontstaan als iemands gedrag te weinig bekrachtiging vanuit de omgeving krijgt?
a)
Abraham Maslow
b)
Martin Seligman
c)
John Watson
d)
Peter Lewinsohn
7.
De neiging het belang van geringe mislukkingen uit te vergroten, is een fout in het denken die _______________ wordt genoemd.
a)
Derationalisatie
b)
Cognitieve vervorming
c)
Cognitieve beoordeling
d)
Misattributie
8.
De psychiater Aaron Beck bracht het ontstaan van depressie in verband met het aannemen van een negatief vertekende of verstoorde manier van denken; dit wordt de _______________ van depressie genoemd.
a)
Interactionele theorie
b)
Attributionele theorie
c)
Cognitieve triade
d)
Emotionele niveaus
9.
Telkens als er iets fout gaat in Jennies leven, geeft ze andere mensen de schuld en ze is nooit bereid de verantwoordelijkheid te nemen voor haar eigen daden. Welk type attributiestijl heeft Jennie?
a)
Negatieve attributie
b)
Vertekende attributie
c)
Interne attributie
d)
Externe attributie
10.
De drie typen attributies die het grootste risico voor depressie vormen, zijn:
a)
Interne, specfieke en stabiele attributies
b)
Externe, globale en instabiele attributies
c)
Interne, globale en stabiele attributies
d)
externe, specifieke en instabiele attributies
11.
Cyclothyme stoornis die wordt gekenmerkt door een episode van minder ernstige stemmingswisselingen dan bij een bipolaire stoornis.
a)
Waar
b)
Niet waar
12.
Linda heeft ernstige stemmingswisselingen waarbij uitersten van depressie en opgetogenheid voorkomen, meestal afwisselend. Aan welke stoornis lijdt Linda waarschijnlijk?
a)
Dubbele depressie
b)
Dysthyme stoornis
c)
Bipolaire stoornis
d)
Schizofrenis
13.
Wat ervaart iemand tijdens een manische episode?
a)
Exreme vermoeidheid en behoefte aan koolhydraten
b)
plotselinge verbetering van stemming en ongewoon opgewekte, eufore of optimistische gevoelens
c)
gevoelens van tekortschieten en zelfmoordgedachten
d)
een plotselinge daling van de stemming en ongewone gevoelens van isolement
14.
Bij affectlabiliteit in het kader van _____________ spreekt men van emotionele incontinentie.
a)
Bipolaire stoornis
b)
Dementie
c)
Depressieve stoornis
d)
Psychotische stoornis
15.
Stoornissen in de affectieve functies hebben betrekking op de stabiliteit EN op de intensiteit van de schommelingen in de stemming.
a)
Waar
b)
Niet waar
16.
Aandacht voor suïciderisico is het meest belangrijk in de __________ fase van antidepressiva.
a)
Opbouw
b)
Stabilisatie
c)
Afbouw
17.
Roken heeft (een) ___________effect op het metabolisme van tricyclische antidepressiva.
a)
Verhogend
b)
Verlagend
c)
Geen
18.
Lithium heeft een smalle therapeutische breedte. Dit wil zeggen dat,_________
a)
Lithium makkelijk in te stellen is
b)
De therapeutische spiegel snel bereikt is
c)
Het gebied tussen een veilige en toxische dosis maar klein is
d)
Je altijd inzet op een zo hoog mogelijke
dosering
19.
Een cliënt die ingesteld wordt op lithium komt na verlof terug, hij loopt wankelend, maakt een verwarde indruk en praat met dubbele tong. Je overlegt met de arts omdat je denkt dat,___________
a)
De cliënt mogelijk tijdens verlof alcohol heeft gedronken
b)
De cliënt mogelijk een neurologische afwijking heeft
c)
De cliënt mogelijk een lithiumintoxicatie heeft
d)
De cliënt mogelijk hartfalen doormaakt
20.
Een veel voorkomende verpleegkundige diagnose bij een cliënt die opgenomen is met een manische toestandsbeeld kan zijn
a)
Inadequate sociale interactie
b)
Voedingstekort
c)
Verstoord slaappatroon
d)
Alle drie hierboven genoemde
Reset
