Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordsoorten

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Hoeveel lidwoorden zijn er?

a)

2

b)

3

c)

4

2.

Hoeveel werkwoorden zijn er in deze zin:

Ik heb haar vriendelijk gevraagd hier te blijven.

a)

0

b)

1

c)

2

d)

3

3.

Hoeveel zelfstandige naamwoorden staan er in deze zin:

Zijn boekentas en pennenzak vielen via de trap op de vuile grond.

a)

0

b)

1

c)

3

d)

4

4.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?

De witte kat kijkt naar buiten.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

5.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?

De jonge vogeltjes kwetteren er op los.

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

6.

Tot welke woordsoort behoort het onderstreepte woord?

Het ruikt hier naar vers gebakken brood.

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

7.

Welke woordsoort kan je in de "verleden tijd" of "tegenwoordige tijd" schrijven?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

8.

Welke woordsoort kan je "verkleinen" "in het enkelvoud" of "in het meervoud" schrijven?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

9.

Welke woordsoort geeft je meer informatie over hoe mensen, dieren of voorwerpen zijn?

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

10.

Duid de best passende woordsoort aan voor het onderstreepte woord.

In Australië wonen er veel vreemde dieren.

a)

werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

eigennaam

d)

bijvoeglijk naamwoord

11.

Welke woordsoort ontbreekt in deze zin?

Wij ... in de klas op onze stoel... .

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoegelijk naamwoord

d)

werkwoord

12.

Welke woordsoort kan je in de zin op de plaats van het vraagteken schrijven?

Hij bakt een ? taart.

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

13.

Wat moet je op de plaats van het vraagteken schrijven?

Zij draagt een ? ring.

a)

goude

b)

gouden

c)

gouwen

d)

gouwden

14.

Wat moet je op de plaats van het vraagteken schrijven?

De ? brug stortte in.

a)

houte

b)

houten

c)

haute

d)

hauten

15.

Wat moet je op de plaats van het vraagteken schrijven?

Ze vond een ? munt in haar tuin.

a)

zilveren

b)

zilvere

c)

zilferen

d)

zilfere

16.

Tot welke woordsoort behoren de onderstreepte woorden?

Stien en Cas plannen een reisje naar Oostenrijk.

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

eigennaam

d)

werkwoord

17.

Duid alle juiste antwoorden aan. Welke info klopt over het onderstreepte woord?

De kinderen plantten bomen in de tuin.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

werkwoord

c)

tegenwoordige tijd

d)

verleden tijd

18.

Duid alle juiste antwoorden aan. Welke info klopt over het onderstreepte woord?

De kinderen planten bomen in de tuin.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

werkwoord

c)

tegenwoordige tijd

d)

verleden tijd

19.

Welke woordsoort wordt niet gebruikt in deze zin?

We maken veel leuke online oefeningen.

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

20.

Welke woordsoort wordt niet gebruikt in deze zin?

We luisterden naar de radio.

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord