Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Op Niveau klas 2 vmbo t/havo H5 Grammatica

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Welke zin heeft geen lv (lijdend voorwerp)?

a)

Ik heb mijn moeder een cadeau gegeven.

b)

Zij zag de hond tegen de lantaarnpaal plassen.

c)

Morgen koop ik een kleine kitten.

d)

Ik heb de hele dag gewerkt.

2.

Welke zin heeft geen ond (onderwerp)?

a)

Loop eens door!

b)

Ik heb geen idee!

c)

Krijg ik ook nog wat?

d)

Morgen komt ze vast langs.

3.

Wat is de bwb (bijwoordelijke bepaling) in deze zin?

De schriften liggen onder haar bed.

a)

De

b)

De schriften

c)

liggen

d)

onder haar bed

4.

Wat is de bwb (bijwoordelijke bepaling) in deze zin?

De auto is gerepareerd in de garage.

a)

De auto

b)

is

c)

is gerepareerd

d)

in de garage

5.

Wat is de bwb in de volgende zin?

Ik heb mijn brood gisteren niet opgegeten.

a)

heb niet opgegeten

b)

mijn brood

c)

gisteren

d)

ik

6.

Welke vraag stel je om het meewerkend voorwerp(mv) te vinden?

a)

wie + gezegde?

b)

wie + gezegde + onderwerp?

c)

wat + gezegde + onderwerp?

d)

voor wie/aan wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

7.

Wat is het meewerkend voorwerp (mv) in de volgende zin?

Hij geeft haar een cadeau.

a)

hij

b)

geeft

c)

haar

d)

een cadeau

8.

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin?

Neem jij die spullen mee voor mij?

a)

die spullen

b)

voor mij

c)

jij

d)

Neem

9.

Wat is het meewerkend voorwerp (mv) in de volgende zin?

Zij heeft een cadeau voor haar oma gekocht.

a)

zij

b)

een cadeau

c)

voor haar oma

d)

heeft gekocht

10.

Wat is het onderwerp (ond) in de volgende zin?

Zij heeft een cadeau voor haar oma gekocht.

a)

zij

b)

heeft gekocht

c)

voor haar oma

d)

een cadeau

11.

Wat is de bijwoordelijke bepaling (bwb) in de volgende zin?

Zij heeft een cadeau voor haar oma gekocht.

a)

zij

b)

een cadeau

c)

er zit geen bwb in

d)

voor haar oma

12.

Wat is de bwb in de volgende zin?

Zij heeft gisteren een cadeau voor haar oma gekocht.

a)

er zit geen bwb in

b)

een cadeau

c)

voor haar oma

d)

gisteren

13.

Wat is ook weer een bezittelijk voornaamwoord (bez.vnw)?

a)

Een bez.vnw. geeft een plaats aan

b)

Een bez.vnw. geeft een bezit aan

c)

Een bez. vnw. geeft een tijd aan

d)

Een bez. vnw. geeft een werkwoord aan

14.

Wat zijn de TWEE bezittelijke voornaamwoorden?

a)

mijn

b)

de jouwe

c)

ik

d)

wij

15.

Wat zijn de TWEE bezittelijke voornaamwoorden?

a)

jullie

b)

u

c)

jij

d)

uw

16.

Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?

Kan u misschien uw adres geven?

a)

u

b)

uw

c)

uw adres

d)

misschien

17.

Een wederkerend voornaamwoord komt alleen voor in combinatie met....?

a)

een wederkerend telwoord

b)

een wederkerend voegwoord

c)

een wederkerend werkwoord

d)

een wederkerend voornaamwoord

18.

Welke TWEE werkwoorden zijn een wederkerend werkwoord?

a)

zich aanpassen

b)

gooien

c)

bijwonen

d)

zich vermaken

19.

In welke zin staat een wederkerend werkwoord?

a)

Hij heeft een appel gevonden.

b)

Hij heeft mij een bericht gestuurd.

c)

Hij heeft zich erg verzet tegen de politie.

d)

Hij heeft een vergissing begaan.

20.

Welk woord in de zin is een wederkerend vnw?

Ik schaam me voor deze vergissing.

a)

ik

b)

schaam

c)

me

d)

voor