wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3 HAVO herhalen hfd 4, 5, 6 NOVA

Total questions: 32

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

De drie fossiele brandstoffen zijn

a)

aardolie

b)

aardgas

c)

bloemkool

d)

biogas

e)

steenkool

2.

Dit proces heet ....

De reactievergelijking die er bij hoort is..

a)

fotosynthese; 6 CO2 + 6 H2O --> C6H12O6 + 6 O2

b)

verbranding; C6H12O6 + 6 O2 --> 6 CO2 + 6 H2O

c)

fotosynthese; C6H12O6 + 6 O2 --> 6 CO2 + 6 H2O

d)

verbranding; 6 CO2 + 6 H2O --> C6H12O6 + 6 O2

3.

Deze stof heet..

a)

Methaan

b)

Ethaan

c)

Propaan

d)

Butaan

4.

Welke moleculen zijn isomeren van elkaar?

a)
b)
c)
d)
5.

100 gram glycerol wordt opgewarmd van 25 naar 60 graden celsius.  De warmtecapaciteit van glycerol is 2,43 J/(g×C).
Bereken hoeveel energie dit kost met Q=c×m×ΔT 

a)

8,505 J

b)

8505 J

c)

6075 J

d)

14580 J

6.

Voorbeelden van duurzame brandstoffen zijn

a)

benzine

b)

biodiesel

c)

groengas

d)

autogas

7.

Je kunt ijzer beschermen tegen corrosie door...

a)

het te verven

b)

het te emailleren

c)

het in te smeren met vet

d)

er een laagje goud (bladgoud) op te doen

8.

Bioplastics zijn worden gemaakt van

a)

aardolie

b)

zwerfafval

c)

composieten

d)

hernieuwbare grondstoffen.

9.

Als je dit monomeer polymeriseert krijg je ...

a)
b)
c)
d)
10.

IJzer wordt gerecycled want...

a)

dat kost minder energie dan nieuwe maken

b)

het ijzererts is al bijna op

c)

het spaart grondstoffen

d)

gerecyclede metalen zijn van een kwaliteit

11.

Nanomaterialen zijn stoffen die

a)

worden toegevoegd aan cosmetica

b)

wel 500× zo klein zijn als een mensenhaar

c)

mogelijk slecht zijn voor je gezondheid

d)

Alle antwoorden zijn goed

12.

Je kunt vet NIET in water oplossen want:

a)

water is hydrofoob, vet is hydrofiel

b)

water is hydrofiel , vet is hydrofoob

c)

vet kan geen emulsie vormen

d)

water kan geen suspensie vormen

13.

Vink de goede antwoorden aan.

Een zeepmolecuul...

a)

heeft een hydrofiele staart

b)

heeft een hydrofiele kop

c)

heeft een hydrofobe staart

d)

heeft een hydrofiele staart

e)

vormt micellen in water

14.

Rozenolie kost 2,50 € per 10 mL.

Om 800 druppels rozenolie te maken (van 0,05 mL) zijn 75 rozen nodig.

Bereken hoeveel rozen er gebruikt zijn als je voor 5,00 € rozenolie koopt.

a)

75

b)

150

c)

1500

d)

30000

15.

In figuur 35 op blz. 229 van je boek staat een installatie om etherische olie (geurstoffen) uit bloemblaadjes te halen.

Van welke twee scheidingsmethoden maak je hier gebruik?

a)

verdampen en condenseren

b)

extraheren en condenseren

c)

extraheren en afgieten

d)

oplossen en verdampen

e)

verdamoen en koken

16.

Wat betekent deze afbeelding?

a)

Kijk uit: kapotte driehoek

b)

Gevaarlijke chemicaliën

c)

Corrosief

d)

Niet mengen

17.

Als een stof zuur is, is de pH ...

a)

rood

b)

blauw

c)

7

d)

groter dan 7

e)

kleiner dan 7

18.

Wat zijn zure schoonmaakmiddelen?

a)

azijnzuur

b)

water

c)

waterstofchloride

d)

ammoniak

19.

Voorbeelden van basische schoonmaakmiddelen zijn....

a)

soda

b)

ammoniak

c)

water

d)

waterstofchloride

e)

natriumhydroxide

20.

Als je kalk verwijdert met azijn dan ...

a)

vindt er een chemische reactie plaats.

b)

ontstaat er koolstofdioxide.

c)

lost de kalk op en spoelt weg.

21.

Lipstick, zonnebrandcrème en handzeep zijn voorbeelden van...

a)

cosmetische producten

b)

hygiënische producten

c)

schoonmaakmiddelen

d)

geldverspilling

22.

Detergent is een ander woord voor:

a)

emulgator

b)

zeep

c)

oppervlakte-actieve stof

d)

alle antwoorden zijn goed

23.

Het verschil tussen een natuurlijke en een synthetische zeep is dat

a)

synthetische zeep worden gemaakt uit aardolie, natuurlijke zepen uit vet.

b)

synthetische zeep worden gemaakt uit aardolie, natuurlijke zepen uit olie.

c)

synthetische zepen binden geen kalk, natuurlijke zepen wel.

d)

Alle antwoorden zijn goed.

24.

Een zeepmolecuul bevat

a)

een kleine hydrofiele staart en een grote hydrofobe kop

b)

een kleine hydrofiele kop en een grote hydrofobe staart

c)

een kleine hydrofobe staart en een grote hydrofiele kop

d)

een kleine hydrofobe kop en een grote hydrofiele staart

25.

Leg uit wat je hier ziet.

a)

Een druppel vet is naar de acupuncturist geweest.

b)

Een druppel hydrofiel vet lost niet op in water want het detergent voorkomt dat door middel van hydrofobe uitsteeksels.

c)

Een druppel hydrofoob vet wordt omringd door hydrofiele koppen van de zeep en lost op in water.

d)

Een druppel hydrofoob vet in water. Het lost op zodra de oppervlakte actieve stoffen opgelost zijn.

26.
Welke reactievergelijking is kloppend? 
a)
Cu + O2 → 2 CuO 
b)
Cu2 + O2 → 2 CuO
c)
2 Cu + O2 → 2 CuO 
d)
Cu + O → CuO
27.

Op welk verschil in stofeigenschappen berust filtreren?

a)

Verschil in kookpunt

b)

Verschil in deeltjesgrootte

c)

Verschil in aanhechting

d)

Verschil in extractie-middel

28.

Wat is GEEN ontledingsreactie?

a)

Fotolyse

b)

Syntholyse

c)

Elektrolyse

d)

Thermolyse

29.

Als een stof basisch is, is de pH ...

a)

rood

b)

blauw

c)

7

d)

groter dan 7

e)

kleiner dan 7

30.

E-nummers zijn:

a)

additieven

b)

conserveringsmiddelen

c)

giftig

d)

stoffen die je aan voedsel mag toevoegen

31.

Je kunt voedsel conserveren door het:

a)

te pasteuriseren

b)

in te zouten

c)

te steriliseren

d)

te drogen

e)

te mengen met aardolie

32.

De drie belangrijkste voedselgroepen zijn:

a)

oliën en vetten

b)

koolhydraten

c)

eiwitten

d)

water

e)

pizza