WorksheetsHuiswerk: Nederlands 20 oktober, 2020
Total questions: 10
Worksheet time: 30mins
lees de zin en schrijf het meewerkend voorwerp op.
1.De buurvrouw gaf mij een lekker snoepje.
(a)
Lees de zin en schrijf het meewerkend voorwerp op.
2.Het cadeau werd aan Chichi gegeven.
(a)
Lees de zin en schrijf het meewerkend voorwerp op.
2.Morgen maken wij voor jou een grote taart.
(a)
Lees de zin en schrijf het lijdend voorwerp op.
4.De bakker gaat twee broden bakken.
(a)
Lees de zin en schrijf het lijdend voorwerp op.
5.Peter leest een boek.
(a)
Lees de zin en schrijf het lijdend voorwerp op.
6.De muizen eten de lekkere kaas.
(a)
Zet de zin in de gebiedende wijs?
7.Wil je nu gaan slapen?
Ga je nu slapen?
Ga nu slapen!
Ga nu eventjes slapen!
Nu slapen.
Zet de zin in de gebiedende wijs?
8.Ik wil dat je hier stoppen.
Hier stoppen!
Stop!
Stop hier!
Je moet hier stoppen!
Wat voor zin is het?
9.Doe de deur open!
Gebiedende wijs
Vertelzin
Vraagzin
Beeldspraak
Wat voor zin is het?
10.Loop even door!
Vertelzin
Vraagzin
Gebiedende wijs
