wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

taalwijs kijker 3 vreemde dieren

Total questions: 60

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.

De blobvis is de lelijkste vis.

vis is ...

a)

een werkwoord

b)

een zelfstandig naamwoord

c)

een lidwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

2.

De neusaap heeft een lange neus.

lange is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een werkwoord

c)

een bijvoeglijk naamwoord

d)

een lidwoord

3.

De ijsvogel vliegt in de lucht.

vliegt is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

4.

De luiaard is heel traag.

de is ...

a)

een lidwoord

b)

een zelfstandig naamwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

5.

Duid alle lidwoorden aan.

a)

de

b)

op

c)

het

d)

een

e)

in

6.

rode, donkere, hoge, dunne, spannende, ...

Dit zijn ...

a)

bijvoeglijke naamwoorden

b)

zelfstandige naamwoorden

c)

werkwoorden

d)

lidwoorden

7.

bossen, water, wandeling, voedsel, vlinder, ...

Dit zijn ...

a)

bijvoeglijke naamwoorden

b)

zelfstandige naamwoorden

c)

werkwoorden

d)

lidwoorden

8.

jongen, boom, nest, voedsel, ...

Dit zijn ...

a)

zelfstandige naamwoorden

b)

bijvoeglijke naamwoorden

c)

werkwoorden

d)

lidwoorden

9.

kruipen, zwemmen, zijn, springen, klimmen, vliegen, ...

Dit zijn ...

a)

zelfstandige naamwoorden

b)

bijvoeglijke naamwoorden

c)

werkwoorden

d)

lidwoorden

10.

Welk woord is een bijvoeglijk naamwoord?

a)

dansen

b)

ik

c)

doos

d)

grote

11.

Welk woord is een zelfstandig naamwoord?

a)

beestjes

b)

groot

c)

donker

d)

wonen

12.

Welk woord is GEEN lidwoord?

a)

een

b)

twee

c)

de

d)

het

13.

Welk woord is een werkwoord?

a)

nest

b)

blauw

c)

donker

d)

wonen

14.

Duid alle werkwoorden aan.

a)

nijlpaard

b)

de

c)

kijken

d)

zwemmen

e)

vliegen

15.

Duid alle bijvoeglijke naamwoorden aan.

a)

grote

b)

het

c)

kameleon

d)

lieve

e)

kruipen

16.

Duid alle zelfstandige naamwoorden aan.

a)

boom

b)

een

c)

water

d)

drinken

e)

nest

17.

Een nijlpaard is een gevaarlijk dier.

dier is ...

a)

een werkwoord

b)

een zelfstandig naamwoord

c)

een lidwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

18.

Een prieelvogel zoekt blauwe dingen.

blauwe is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een werkwoord

c)

een bijvoeglijk naamwoord

d)

een lidwoord

19.

Een kangoeroe draagt zijn jongen in zijn buidel.

een is ...

a)

een werkwoord

b)

een zelfstandig naamwoord

c)

een lidwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

20.

Het vingerdier eet graag sappige larven.

eet is ...

a)

een lidwoord

b)

een zelfstandig naamwoord

c)

een bijvoeglijk naamwoord

d)

een werkwoord

21.

De kameleon heeft een lange en gespierde tong.

lange en gespierde zijn ...

a)

lidwoorden

b)

zelfstandige naamwoorden

c)

bijvoeglijke naamwoorden

d)

werkwoorden

22.

Het stokstaartje leeft in Zuid-Afrika.

Zuid-Afrika is ...

a)

een lidwoord

b)

een eigennaam

c)

een bijvoeglijk naamwoord

d)

een werkwoord

23.

In Mexico leeft de axolotl.

Mexico is ...

a)

een lidwoord

b)

een bijvoeglijk naamwoord

c)

een eigennaam

d)

een werkwoord

24.

Charles Darwin ontdekte een reuzenschildpad op het Galapagoseiland.

Welke woorden zijn eigennamen?

a)

Charles Darwin en reuzenschildpad

b)

Charles Darwin

c)

een en het

d)

Charles Darwin en Galapagoseiland

25.

Duid alle verkleinwoorden aan.

a)

nestje

b)

tak

c)

boompje

d)

staart

e)

eitjes

26.

Duid alle verkleinwoorden aan.

a)

hengelvis

b)

aardvarkentje

c)

jak

d)

vogelbekdiertje

e)

koekoekje

27.

Duid alle verkleinwoorden aan.

a)

wormpje

b)

kaken

c)

mannetje

d)

steentjes

e)

vacht

28.

Spookdiertjes leven in de bomen in de regenwouden van Zuidoost-Azië.

Welke woord is een eigennaam?

a)

spookdiertje

b)

bomen

c)

de

d)

regenwouden

e)

Zuidoost-Azië

29.

Duid aan wie of wat iets doet in de zin (=het onderwerp).

De stokstaartjes helpen elkaar met hun jongen.

a)

hun jongen

b)

stokstaartjes

c)

de stokstaartjes

d)

helpen elkaar met hun jongen

30.

Duid aan wie of wat iets doet in de zin (=het onderwerp).

De ijsvogel leeft altijd bij het water.

a)

de ijsvogel

b)

het water

c)

ijsvogel

d)

leeft altijd bij het water

31.

Duid aan wie of wat iets doet in de zin (=het onderwerp).

Een lange en gespierde tong heeft de mooie kameleon.

a)

kameleon

b)

de mooie kameleon

c)

een lange en gespierde tong

d)

heeft een lange en gespierde tong

32.

Duid aan wie of wat iets doet in de zin (=het onderwerp).

Een nijlpaard is gevaarlijker dan een leeuw of een luipaard.

a)

een nijlpaard

b)

een leeuw

c)

een luipaard

d)

gevaarlijker

e)

is gevaarlijker dan een leeuw of een luipaard

33.

Duid aan wat er gezegd wordt over het onderwerp.

Een prieelvogel heeft een felle kleur.

a)

een prieelvogel

b)

heeft een felle kleur

c)

een felle kleur

34.

Duid aan wat er gezegd wordt over het onderwerp.

Gieren eten aangespoelde vissen en rottend fruit.

a)

eten aangespoelde vissen en rottend fruit

b)

gieren

c)

eten

35.

Duid aan wat er gezegd wordt over het onderwerp.

De salamander heeft een bruine kleur.

a)

een bruine kleur

b)

heeft een bruine kleur

c)

de salamander

36.

Duid aan wat er gezegd wordt over het onderwerp.

De bruinvis is geen vis, maar een zoogdier.

a)

de bruinvis

b)

is geen vis

c)

is geen vis, maar een zoogdier

37.

Duid aan wat er gezegd wordt over het onderwerp.

Walvissen leggen geen eieren.

a)

leggen geen eieren

b)

walvissen

c)

geen eieren

38.

Duid aan wie of wat iets doet in de zin (=het onderwerp).

Een paardenbijter is een iets kleinere libel.

a)

kleinere libel

b)

een paardenbijter

c)

is een iets kleinere libel

39.

de, het, een

Dit zijn ...

a)

bijvoeglijke naamwoorden

b)

zelfstandige naamwoorden

c)

werkwoorden

d)

lidwoorden

40.

koude, lelijke, kleine, natte, ...

Dit zijn ...

a)

bijvoeglijke naamwoorden

b)

zelfstandige naamwoorden

c)

werkwoorden

d)

lidwoorden

41.

lopen, zoeken, jagen, vangen, ...

Dit zijn ...

a)

bijvoeglijke naamwoorden

b)

zelfstandige naamwoorden

c)

werkwoorden

d)

lidwoorden

42.

Duid alle zelfstandige naamwoorden aan.

a)

spin

b)

de

c)

web

d)

maken

e)

draden

43.

Duid alle bijvoeglijke naamwoorden aan.

a)

zwarte

b)

een

c)

dier

d)

zachte

e)

slijmerige

44.

Duid alle werkwoorden aan.

a)

hebben

b)

voedsel

c)

jagen

d)

ruiken

e)

eten

45.

Flamingo's worden grijs geboren.

flamingo's is ...

a)

een werkwoord

b)

een zelfstandig naamwoord

c)

een lidwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

46.

Kakkerlakken zijn de snelste insecten op de wereld.

snelste is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een werkwoord

c)

een bijvoeglijk naamwoord

d)

een lidwoord

47.

De tong van een blauwe vinvis weegt net zoveel als een olifant (3600 kg).

weegt is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

48.

Ijsberen hebben een zwarte huid onder hun witte vacht.

een is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

49.

Garnalen kunnen alleen achteruit zwemmen.

garnalen is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

50.

Zeilvissen springen met 110km per uur uit het water.

springen is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

51.

De zeester heeft 5 ogen, één op elke poot.

de is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

52.

Muggen hebben 47 tanden.

hebben is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

53.

Een vieze bloedzuiger heeft 300 tanden.

vieze is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

54.

De schattige zeeotters houden elkaars poten vast tijdens het slapen.

schattige is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

55.

Vlinders proeven voedsel met hun poten.

proeven is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

56.

Een mannelijke struisvogel brult als een leeuw.

brult is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

57.

De kleinste vogel ter wereld is de kolibrie.

kleinste is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

58.

Brulapen zijn de luidste landdieren uit het dierenrijk.

luidste is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

59.

Een jachtluipaard is sneller dan een Ferrari.

een is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord

60.

Pijlgifkikkers zijn één van de dodelijkste dieren op aarde.

zijn is ...

a)

een zelfstandig naamwoord

b)

een lidwoord

c)

een werkwoord

d)

een bijvoeglijk naamwoord