wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Cultuur

Total questions: 23

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Cultuur =

a)

alles wat een samenleving voortbrengt en overdraagt: zowel materieel als immaterieel.

b)

alles wat een samenleving materieel overdraagt.

c)

het verschil tussen landen.

2.

Welke omschrijving van cultuur is NIET juist

a)

Cultuur is aangeboren

b)

Cultuur wordt zichtbaar in contact met andere culturen

c)

Cultuur geeft zekerheid

d)

Cultuur krijgt betekenisgeving door context (gezamenlijk referentiekader)

3.

Wat is GEEN dimensie van Hofstede

a)

Machtsverschillen binnen een cultuur

b)

Man of vrouw gerichte cultuur

c)

Individueel of collectief gericht

d)

Geloof of geen geloof

4.

De G-cultuur staat voor

a)

Grofmazig

b)

Fijnmazig

5.

De F-cultuur staat voor

a)

Grofmazig

b)

Fijnmazig

6.

Er zijn algemene regels

Ieder individu moet de algemene regels voor zichzelf interpreteren en toepassen op de eigen specifieke situatie.

a)

G-cultuur

b)

F-cultuur

7.

Er zijn tamelijk gedetailleerde regels.

Er is weinig vrijheid van handelen.

De normen en waarden liggen vast en zijn verankerd in de cultuur.

a)

G-cultuur

b)

F-cultuur

8.

Iedereen is gelijk

(man/vrouw/kind/docent etc)

a)

G-cultuur

b)

F-cultuur

9.

Er is veel eerbied voor gezag en elkaar.

Dit is afhankelijk van je positie)

a)

G-cultuur

b)

F-cultuur

10.

Cultuur is gebaseerd op religie.

(Het geloof staat centraal)

a)

G-cultuur

b)

F-cultuur

11.

Er is vooral aandacht voor de jeugd en vooruitgang.

a)

G-cultuur

b)

F-cultuur

12.

Medische wetenschap kent een totaalbeleving van het mens zijn.

Mijn lichaam doet zeer, vooral mijn buik en mijn hoofd.

a)

G-cultuur

b)

F-cultuur

13.

Je identiteit ontstaat door de waarden en normen van de groep en van jouw positie in de groep.

a)

G-cultuur

b)

F-cultuur

14.

Jijzelf gaat voor de groep.

a)

G-cultuur

b)

F-cultuur

15.

Je schaamt je als je onaangepast of onacceptabel gedrag vertoont.

Ook bij onbekenden.

a)

G-cultuur

b)

F-cultuur

16.

Je kunt beter oneerlijk zijn dan je eer verliezen.

a)

G-cultuur

b)

F-cultuur

17.

Bij de F-cultuur krijg je aanzien vanuit:

a)

je positie in de groep

b)

vanuit je eigen prestaties

18.

In de F-cultuur zijn:

a)

Veel taboes

b)

Weinig taboes

19.

Problemen alleen binnen het gezin besproken

a)

G-cultuur

b)

F-cultuur

20.

Bij de G-cultuur

a)

maakt de hele familie deel uit van de binnengroep.

b)

maakt slecht een klein deel uit van de binnengroep.

21.

Contacten met de buitengroep ontstaan op basis van:

Specifieke deskundigheid/hobby. Hierdoor zijn er veel verschillende groepen.

a)

G-cultuur

b)

F-cultuur

22.

Je hebt een collega die heel deskundig is, maar je vind haar niet aardig. Daarom maak je verder geen contact met haar.

a)

G-cultuur

b)

F-cultuur

23.

Er is een blind vertrouwen op de binnengroep en je staat altijd voor elkaar klaar; zowel emotioneel als materieel.

a)

G-cultuur

b)

F-cultuur