wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Organismen en ordening

Total questions: 32

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Welk celkenmerk heeft het rijk van de bacteriën wel?

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Vacuole

d)

Bladgroenkorrels

2.

Welk dier hoort bij de geleedpotigen?

a)
b)
c)
d)
3.

Bij welke afdeling hoort een kikker?

a)

Amfibieën

b)

Reptielen

c)

Gewervelden

d)

Dieren

4.

Welke van onderstaande dieren zijn skeletloos?

a)

Slakken

b)

Regenwormen

c)

Octopussen

d)

Kwallen

e)

Zee-egels

5.

Welke gewervelden zijn over het algemeen niet afhankelijk van water bij het leggen van de eieren?

a)

Vissen

b)

Amfibieën

c)

Reptielen

d)

Vogels

e)

Zoogdieren

6.

Bij welke klasse hoort dit dier?

a)

Kreeftachtigen

b)

Spinachtigen

c)

Geleedpotigen

d)

Reptielen

7.

Van welk organisme zal een cel geen celwand bevatten?

a)

Organisme 1

b)

Organisme 2

c)

Organisme 3

d)

Organisme 4

8.

Een paard en een ezel kunnen samen nakomelingen krijgen. De nakomelingen van een ezel (hengst) en een paard (merrie) heten 'muildieren'. De nakomelingen van een paard (hengst) en een ezelin heten 'muilezels'. Muilezels en muildieren zijn niet vruchtbaar.


Behoren een ezel en een paard tot één soort?

a)

Nee, want ze kunnen geen vruchtbare nakomelingen voortbrengen.

b)

Ja, want ze stammen uit hetzelfde geslacht

c)

Ja, want ze kunnen vruchtbare nakomelingen voortbrengen.

9.

Welke van de afgebeelde dieren zijn tweezijdig symmetrisch?

a)

Alleen de dieren 1 en 2.

b)

Alleen de dieren 2 en 3.

c)

Alleen de dieren 2 en 4.

d)

Alleen de dieren 3 en 4.

10.

Wat is waar over een schimmel?


Een schimmel heeft:

a)

geen celwand – wel een celkern –

wel bladgroenkorrels


b)

een celwand – wel een celkern –

wel bladgroenkorrels

c)

een celwand – wel een celkern –

geen bladgroenkorrels

d)

een celwand – geen celkern –

geen bladgroenkorrels

11.

Wat is een champignon?

a)

een bacterie

b)

een dier

c)

een plant

d)

een schimmel

12.

Wat is waar over een dier?

Een dier heeft:

a)

geen celwand – wel een celkern –

wel bladgroenkorrels

b)

geen celwand – wel een celkern – geen

bladgroenkorrels

c)

een celwand – wel een celkern –

geen bladgroenkorrels

d)

een celwand – geen celkern –

geen bladgroenkorrels

13.

Welke dieren zijn gewervelde dieren?

Er zijn twee antwoorden goed.

a)

inktvis

b)

krokodil

c)

regenworm

d)

slang

e)

vlieg

14.

Een dier heeft de volgende kenmerken:

– Hij haalt adem via kieuwen.

– Hij heeft een huid bedekt met schubben en slijm.

– Hij legt eieren zonder schaal.

Wat voor dier is dit?

a)

een amfibie

b)

een reptiel

c)

een vis

d)

een vogel

15.

Als we kijken naar de kleinste organismen op aarde. Onder welk rijk vallen die dan?

a)

Schimmels

b)

Bacteriën

c)

Virussen

d)

Moleculen

16.

Wat voor type cel is dit?

a)

Dierlijke cel

b)

Plantencel

c)

Bacteriecel

d)

Schimmelcel

17.

BS1. Hoe noemen we de vier grote groepen van ordenen ook wel?

a)

Stammen

b)

Domeinen

c)

Rijken

d)

Klassen

18.

BS 1. De blauwe Abessijn en de heilige Birmaan kunnen vruchtbare nakomelingen krijgen.

Juist of Onjuist?

a)

Juist

b)

Onjuist

19.
Dit is een gordeldier. Een gordel dier heeft een ..1.. en is daarom een ...2...
a)
Inwendig skelet - geleedpotigen
b)
Inwendig skelet - gewervelden
c)
Uitwendig skelet - geleedpotigen
d)
Uitwendig skelet - worm
20.
Padden zijn koudbloedig, ademen voor een groot deel door hun huid, en hun eieren zijn niet beschermd. Bij welke klasse binnen de afdeling van de gewervelden horen de padden?
a)
Bij de vissen
b)
Bij de reptielen
c)
Bij de zoogdieren
d)
Bij de amfibieën
21.

Deze groep is een onderdeel van de gewervelde dieren en heeft deze kenmerken:

1. Huid met veren

2. Ademt met longen

3. Wordt geboren uit een ei

a)

Vogels

b)

Vissen

c)

Amfibieën

d)

Zoogdieren

22.

Hoe heet het orgaan aangegeven met nummer 3?

a)

Luchtpijp

b)

Long

c)

Hart

d)

Darmen

23.

bekijk het plaatjes. met welk nummer is de dikke darm aangegeven?

a)

4

b)

5

c)

6

d)

7

24.

Deze organen horen bij...

a)

het bloedvatenstelsel

b)

het spierstelsel

c)

het ademhalingsstelsel

d)

het verteringsstelsel

25.
Welk organenstelsel is hier afgebeeld?
a)
bloedvatenstelsel
b)
zenuwstelsel
c)
spierenstelsel
d)
verteringsstelsel 
26.

Het levenskenmerk wat in de afbeelding is weergegeven betreft...

a)

groeien.

b)

voortplanten.

c)

ademen.

d)

voeden.

27.

Iets dat heeft geleefd noemen we....

a)

Levend

b)

Dood

c)

Levenloos

28.

Het glas in de ramen is.....

a)

Levend

b)

Dood

c)

Levenloos

29.

Welk levenskenmerk hoort bij de volgende zin:

Marion luistert naar de uitleg van de docent

a)

Voeden

b)

Ademhalen

c)

Waarnemen

d)

Groeien

30.

Welke levenskenmerken lees je in de tekst:

Jan schrikt wakker omdat hij zijn wekker hoort. Hij springt uit bed en kijkt in zijn kledingkast. Daar vind hij een mooie trui. Als hij deze aan trekt merkt hij dat deze niet meer past. Gauw pakt hij een ander en gaat naar beneden om te ontbijten.

a)

Voeden

b)

Waarnemen

c)

Groeien

d)

Ademhalen

e)

Bewegen

31.
Wat is geen levenskenmerk?
a)
Voeden
b)
Bewegen
c)
Slapen
d)
Voortplanten
32.

Als je een hond uitlaat, dan gaat hij op zoek naar de geur van andere honden. Als de hond die geur geroken heeft, dan plast hij ook op die plek.

Welke twee levenskenmerken horen hierbij?

a)

groeien en waarnemen

b)

uitscheiden en voortplanten

c)

uitscheiden en waarnemen

d)

voortplanten en groeien