wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Over Leven en Overleven begrippen

Total questions: 31

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Hoe goed ken je de begrippen van dit hoofdstuk al?

a)

Slecht

b)

Een beetje

c)

Goed

d)

Perfect

2.

Wat wordt er bedoeld met een organisme?

a)
Een dode plant.
b)
Een anorganisch materiaal.
c)
Een chemische stof.
d)
Een levend wezen
3.

Wat is GEEN organisme?

a)

Jij

b)

Het skelet in het biologielokaal (Bert)

c)

Een champignon

d)

Een plant

4.

Wat is een goede beschrijving voor het begrip levenloos?

a)

Iets wat ooit levenskenmerken heeft vertoont en nu niet meer.

b)

Iets wat niet groeit, maar zich wel voortplant.

c)

Iets wat nooit levensverschijnselen heeft vertoont.

d)

Iets wat levensverschijnselen vertoont.

5.

"Ik zie mijn hond liggen en besluit hem te aaien. Als hij zijn hand voelt, tilt hij zijn hoofd op en kijkt hij mij aan."

Welke levenskenmerken kan je in deze tekst lezen?

a)

Waarnemen, reageren, bewegen.

b)

Bewegen, uitscheiden en waarnemen.

c)

Voortplanten, uitscheiden en bewegen.

d)

Ontwikkelen, bewegen en reageren.

6.

"Een kat heeft lange poten."

Is dit een voorbeeld van vorm of functie?

a)

Vorm

b)

Functie

7.

"De dikke vacht houdt de poolvos warm."

Is het warmhouden een voorbeeld van vorm of functie?

a)

Vorm

b)

Functie

8.

Is onderstaande bewering goed of fout?

"Iets wat levenloos is, kan uiteindelijk na een aantal jaren doodgaan."

a)

Goed

b)

Fout

9.

Is onderstaande bewering goed of fout?

"Vorm en functie hoeven niets met elkaar te maken te hebben."

a)

Goed

b)

Fout

10.

Is onderstaande bewering goed of fout?

"Uitscheiden heeft met poepen en plassen te maken."

a)

Goed

b)

Fout

11.

Is onderstaande bewering goed of fout?

"Als iets leeft vertoont het de negen levenskenmerken."

a)

Goed

b)

Fout

12.

Wat is een voorbeeld van ontwikkeling?

a)

Je haar groeit steeds langer.

b)

Een kat die teveel eten krijgt wordt dik.

c)

Een kikkervisje krijgt voor- en achterpoten.

d)

Een volwassen zebra is veel groter als een veulentje.

13.

Wat is een individu?

a)

Eén organisme

b)

Een aparte soort

c)

Een dier wat helemaal van vorm veranderd.

d)

Alle levende wezens

14.

Al deze dingen zijn nodig dat een organisme kan overleven. Welke is nodig zodat de soort kan blijven bestaan als het organisme zelf doodgaat.

a)

Voedsel zoeken en opnemen

b)

Zich verdedigen tegen omgevingsinvloeden

c)

Aanvallen van vijanden zien te overleven

d)

Zich voortplanten

15.

Hoe noem je het proces waarmee groene planten hun eigen eten uit zonlicht maken?

(a)  

16.

Is onderstaande bewering goed of fout?

"Als een organisme is goed is aangepast aan de omgeving kan het beter overleven."

a)

Goed

b)

Fout

17.

Is onderstaande bewering goed of fout?

"Je verstoppen is een manier van een dier om zich tegen andere organismen te beschermen."

a)

Goed

b)

Fout

18.

Is onderstaande bewering goed of fout?

"Een plant kan zich alleen maar verdedigen tegen kou en warmte, niet tegen anderen organismen."

a)

Goed

b)

Fout

19.

Is onderstaande bewering goed of fout?

"Schimmels en planten planten zich hetzelfde voort."

a)

Goed

b)

Fout

20.

Is onderstaande bewering goed of fout?

"Schimmels kunnen zich voortplanten door sporen en spoordraden."

a)

Goed

b)

Fout

21.

Is onderstaande bewering goed of fout?

"Dieren planten zich voort met behulp van stuifmeelkorrels en eicellen."

a)

Goed

b)

Fout

22.

Is onderstaande bewering goed of fout?

"Een levenscyclus begint bij de geboorte en eindigt bij de dood."

a)

Goed

b)

Fout

23.

Wat is metamorfose of gedaanteverwisseling?

a)

Een tovenaar verandert zichzelf in een kat.

b)

Een jong dier ziet er heel anders uit dan een volwassen dier.

c)

Een jong dier is veel kleiner als een volwassen dier.

d)

Een dier wordt ouder en grijs.

24.

Welke organen van een mens zie je hier?

a)

Lever

b)

Longen

c)

Alvleesklier

d)

Nieren

25.

Tot welk orgaanstelsel horen de maag en de darmen?

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Spijsverteringsstelsel

d)

Voortplantingsstelsel

26.

Welk orgaan maakt gal (gal verteert vetten) en zorgt ervoor dat gifstoffen afgebroken worden?

(a)  

27.

Welk orgaan hoort bij het zenuwstelsel?

a)

Nieren

b)

Hersenen

c)

Hart

d)

Longen

28.

Mevrouw Endenburg gaat een biologisch onderzoek doen en ze zegt:
"Ik denk dat als ik een plant geen water geef hij minder groeit dan een plant die ik wel water geef."

Waar is dit een voorbeeld van?

a)

Onderzoeksvraag

b)

Hypothese

c)

Resultaten

d)

Conclusie

29.

Mevrouw Endenburg gaat een biologisch onderzoek doen en ze zegt:
"Ik denk dat als ik een plant geen water geef hij minder groeit dan een plant die ik wel water geef."

Wat zou bij dit onderzoek een goede onderzoeksvraag zijn?

a)

Heeft een plant water nodig om te kunnen groeien?

b)

Groeien verschillende planten beter in het licht?

c)

Waarom groeit een plant?

d)

Waarom zijn de bananen krom?

30.

Mevrouw Endenburg gaat een biologisch onderzoek doen en ze zegt:
"Ik denk dat als ik een plant geen water geef hij minder groeit dan een plant die ik wel water geef."

Wat is in dit onderzoek de onafhankelijke variabele?

a)

De plant

b)

De groei

c)

De hoeveelheid water

d)

De hoeveelheid licht

31.

Hoe goed ken je de begrippen van dit hoofdstuk al?

a)

Slecht

b)

Een beetje

c)

Goed

d)

Perfect