WorksheetsKlas 2 Chapitre 3 voc 3.1 + voc 3.2
Total questions: 10
Worksheet time: 3mins
Name
Class
Date
1.
Wat betekent: le concours ?
a)
de wedstrijd
b)
de chaos
c)
de wachtrij
d)
de boodschappen
2.
Wat betekent: maintenant ?
a)
maar
b)
nooit
c)
nu
d)
mooi
3.
Wat betekent: tomber ?
a)
tonen
b)
vallen
c)
toetsen
d)
vertellen
4.
Wat betekent: souvent ?
a)
saai
b)
streng
c)
veel
d)
vaak
5.
Wat betekent: le jour ?
a)
een dag
b)
de dag
c)
een jaar
d)
het jaar
6.
Wat betekent: facile ?
a)
flauw
b)
makkelijk
c)
mooi
d)
fraai
7.
Wat betekent: froid ?
a)
warm
b)
koud
c)
ver
d)
dichtbij
8.
Wat betekent: l'hiver ?
a)
de winter
b)
de hooizolder
c)
de week
d)
het huisje
9.
Wat betekent: rester ?
a)
rondrijden
b)
betalen
c)
rusten
d)
blijven
10.
Wat betekent: parler ?
a)
pakken
b)
posten
c)
pesten
d)
praten
100 %
