wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Waar slaat dat op? Waar slaat die op?

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Waar zie je voorbeelden van betrekkelijke voornaamwoorden

a)

de, het, een

b)

en, of, maar, want

c)

die, dat, wat

d)

in, op, naast, voor

2.

Wat is geen betrekkelijk voornaamwoord?

a)

Wat

b)

Die

c)

De

d)

Het

3.

Waar slaat 'die' op?

Het was een dag die nooit voorbij leek te gaan.

a)

een dag

b)

voorbij

c)

het was

d)

leek

4.

Waar slaat 'dat' op?

Tim en Nicolaas zijn een bekend doco-duo dat al verschillende documentaires heeft gemaakt.

a)

Tim en Nicolaas

b)

een bekend doco-duo

c)

duo

d)

doco-duo

5.

Waar slaat 'dat' op?

Ik vertel een leuk verhaaltje dat ze aan het lachen maakt en dan komt het vanzelf goed.

a)

ik vertel een leuk verhaaltje

b)

een leuk verhaaltje

c)

aan het lachen

d)

dan komt het vanzelf goed

6.

Waar slaat 'die' op?

Een leraar die ik sprak, vertelde me: "Voor de kerstvakantie moeten ze je haten, daarna van je gaan houden."

a)

vertelde me

b)

voor de kerstvakantie

c)

een leraar

d)

van je gaan houden

7.

De video's, __________ Sam maakt, zet hij op zijn YouTube-kanaal.

a)

dat

b)

die

8.

De storm ______ over de Antillen raasde, heeft veel schade aangericht.

a)

dat

b)

die

9.

Het werk _____ af is, moet je uploaden op de digitale leeromgeving.

a)

dat

b)

die

10.

De jongens _____ ik leuk vind, zijn allemaal al bezet.

a)

dat

b)

die

11.

Kun jij het kastje ____ ik heb gekocht, voor me naar boven dragen?

a)

dat

b)

die

12.

Anne Frank schreef een dagboek ____ over de hele wereld bekend is.

a)

dat

b)

die

13.

Marie draagt lippenstift ____ mooi bij haar oogschaduw staat.

a)

dat

b)

die

14.

Ik voel een kauwgompje____ iemand onder de tafel heeft geplakt.

a)

dat

b)

die

15.

Ik zou alles--- in deze winkel ligt, wel willen hebben.

a)

dat

b)

die

c)

wat

16.

In de garage liggen winterbanden,---- we gebruiken als we op skivakantie gaan.

a)

dat

b)

die

c)

wat

17.

Mijn muis,----ik in de thee heb laten vallen, is kapot.

a)

dat

b)

die

c)

wat

18.

Veel personeel zal ontslagen worden,---- voor spanning zorgt op de werkvloer.

a)

dat

b)

die

c)

wat

19.

Dit is een stressballetje, ---- ervoor zorgt dat je je beter kunt concentreren.

a)

dat

b)

die

c)

wat