wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 Toets H3 Straling

Total questions: 26

Worksheet time: 2hrs 9mins

Name
Class
Date
1.

Geef aan welk van de volgende beweringen NIET waar zijn.

a)

Het eten van bestraalde aardappels is gevaarlijk.

b)

Radioactief afval moet lang bewaard blijven omdat de halveringstijd van sommige isotopen erin erg groot is.

c)

Na drie halveringstijden is de activiteit van een bron teruggelopen tot 1/6e deel van de oorspronkelijke waarde.

d)

Bètastraling gaat door alle stoffen heen.

e)

Bij isotopen van dezelfde atoomsoort is alleen het aantal neutronen verschillend.

2.

De stralingsbelasting in Nederland is gemiddeld 2,5 mSv per jaar.

Hoe noemen we de straling die dit veroorzaakt?

a)

Ruimtestraling

b)

Voorgrondstraling

c)

Achtergrondstraling

d)

Kernstraling

3.

Voor het meten van straling wordt gebruik gemaakt van een badge en een GM-teller.

Bij welk apparaat hoor je steeds korte piepjes?

a)

Bij een badge

b)

Bij een GM-teller

c)

Bij geen van beide

4.

Welke drie soorten stralingsdeeltjes kunnen uit de kern van een atoom komen?

a)

Neutronen

b)

Bèta-deeltjes

c)

Gamma-deeltjes

d)

Alfa-deeltjes

5.

Wat versta je onder de activiteit van een radioactieve bron?

a)

Hoe snel de vervaldeeltjes uit de bron bewegen

b)

Hoeveel vervaldeeltjes de bron per seconde uitzend

c)

Hoeveel atoomkernen er per seconde worden gevormd

d)

Hoeveel neutronen er per seconde worden gevormd

6.

Uitgewerkte brandstofstaven moeten ook in een waterbassin opgeslagen worden.

Geef twee redenen waarvoor dit nodig is.

a)

Om de brandstofstaven te koelen

b)

Om stoom te kunnen maken voor de generator

c)

Om de vrijgekomen neutronen te kunnen absorberen.

d)

Omdat ze anders gaan roesten

7.

Een kerncentrale haalt de energie uit de splijting van uraniumkernen.

Wat is er nodig om een uraniumkern te laten splijten?

a)

Protonen

b)

Elekronen

c)

Neutronen

d)

Quarks

8.

De activiteit van een bron wordt .............. naarmate het aantal instabiele kernen in de bron toeneemt. Kies het juiste antwoord

a)

Groter

b)

Kleiner

c)

Blijft gelijk

9.

De activiteit van een bron wordt.............naarmate de halveringstijd van de isotoop toeneemt.

Kies het juiste antwoord

a)

Groter

b)

Kleiner

c)

Blijft gelijk

10.

De activiteit van een bron wordt............ naarmate de tijd verstrijkt.

Kies het juiste antwoord

a)

Groter

b)

Kleiner

c)

Blijft gelijk

11.

In een ziekenhuis wordt 80 mg van een radioactieve stof opgeborgen. De halveringstijd van deze stof is één week.

Hoeveel van deze stof is na 4 weken nog over?

a)

40 mg

b)

20 mg

c)

10 mg

d)

5 mg

12.

In kerncentrales ontstaat plutonium‑239 als radioactief afval. De halfwaardetijd van plutonium-239 is 24.400 jaar.

Bereken na hoeveel jaar er van 4,0 gram plutonium‑239 nog 0,25 gram over is.

a)

24.400 jaar

b)

48.800 jaar

c)

73.200 jaar

d)

97.600 jaar

13.

Straling en radioactiviteit zijn overal om je heen aanwezig.

Hoe noemen we het feit dat iemand zelf radioactief wordt?

a)

Activiteit

b)

Besmetting

c)

Bestraling

d)

Instabiel

14.

Straling en radioactiviteit zijn overal om je heen aanwezig.

Wat versta je onder de activiteit van een radioactieve stof?

a)

Het splitsen van atoomkernen

b)

Het aantal atoomkernen dat per seconde vervalt

c)

Een neutron van een kern zorgt voor splitsing van een andere kern

d)

De snelheid waarmee straling uit de bron komt

e)

Of er veel of weinig straling is

15.

Een metalen plaat met een dikte van 12,0 mm absorbeert 87,5% van de erop vallende gammastraling.

Bereken de halveringsdikte van het metaal voor die straling.

a)

2 mmj

b)

4 mm

c)

6 mm

d)

8 mm

16.

In ziekenhuizen worden radioactieve stoffen gebruikt om te controleren of het hart goed werkt. Men spuit dan een beetje radioactieve stof in het bloed van een patiënt. Vervolgens wordt er dan een foto van het hart gemaakt. De gebieden in het hart die goed doorbloed zijn bevatten veel van de radioactieve stof.

a)

een α-straler met een halveringstijd van enkele jaren

b)

een α-straler met een halveringstijd van enkele uren

c)

een β-straler met een halveringstijd van enkele jaren

d)

een γ-straler met een halveringstijd van enkele jaren

e)

een γ-straler met een halveringstijd van enkele uren

17.

Een bron met een radioactieve stof zendt α-straling uit en heeft op zeker moment een activiteit van 30 Bq. Na 72 uur wordt de meting herhaald. De activiteit is dan nog 7,5 Bq.

Bereken de halveringstijd van deze stof in uren.

a)

18 uur

b)

24 uur

c)

36 uur

d)

72 uur

18.

Uit bouwmateriaal kan het radioactieve gas radon‑220 ontsnappen. In een slecht geventileerde ruimte kan dan een vrij hoge concentratie radon ontstaan. Op een bepaald moment bedraagt de activiteit van het radon in deze ruimte 160 Bq. Wat wordt hiermee bedoelt?

a)

In die hoeveelheid radon-220 zaten toen 160 instabiele kernen.

b)

In die hoeveelheid radon-220 veranderden toen 160 instabiele kernen per seconde.

c)

Die hoeveelheid radon-220 had tot dan toe 160 deeltjes uitgezonden.

d)

Die hoeveelheid radon-220 zond toen 160 deeltjes per seconde uit.

19.

Door bestraling kunnen bacteriën en insecten in voedselproducten onschadelijk worden gemaakt. Als stralingsbron wordt kobalt-60 gebruikt.

Welke soort straling moet de kobaltbron uitzenden?

a)

Alfa-straling

b)

Bèta-straling

c)

Röntgen-straling

d)

Gamma-straling

20.

Zuurstof-18 heeft tien neutronen in de kern. Hoeveel elektronen heeft dit atoom?

a)

18

b)

10

c)

8

d)

2

21.

Een stralingsmeter meet een dosis van 150 microSievert. Hoeveel milliSievert is dat?

a)

15 milliSievert

b)

1,5 milliSievert

c)

0,15 milliSievert

d)

0,015 milliSievert

22.

Tot de nucleonen behoren:

a)

Elektronen

b)

Protonen

c)

Neutronen

d)

Positronen

23.

Vergelijk de volgende elementen, Stikstof-14 en koolstof-14. Wat verschilt er NIET tussen deze elementen?

a)

het aantal protonen

b)

het aantal neutronen

c)

het aantal elektronen

d)

het aantal kerndeeltjes

24.

Stikstof bestaat uit een mengsel van twee isotopen; stikstof-14 en stikstof-15. Wat is het verschil tussen deze isotopen?

a)

het aantal protonen

b)

het aantal neutronen

c)

het aantal elektronen

25.

Hierboven is schematisch een kernreactor weergegeven.

Waar zitten de splijtstof staven?

a)

in onderdeel 1

b)

in onderdeel 2

c)

in onderdeel 3

d)

in onderdeel 4

26.

In de figuur zie je hoe de regelstaven zijn ingesteld. Produceert de reactor zo veel, weinig of geen warmte?

a)

geen

b)

weinig

c)

veel