wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Basisbegrippen biologie

Total questions: 58

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.

Waneer vindt fotosynthese plaats?

a)

In het licht

b)

In het donker

c)

In het licht en donker

2.

Het proces waarbij suiker gemaakt wordt in de plant heet ..

a)

verbranding

b)

fotosynthese

3.

Het proces waarbij suiker verbruikt wordt in de plant heet ..

a)

verbranding

b)

fotosynthese

4.

In welke delen kan deze plant zuurstof maken?

a)

in de bladeren en de bladstelen

b)

in de wortels en de bladstelen

c)

in de bladeren en de wortels

d)

in alle zichtbare delen

5.

Je ziet op deze afbeelding een wandelend blad in de aanvalshouding. Zij staat in het licht. Zij eet bladeren. Stel er is geen voedsel voor haar, zou zij zich zelf dan in leven kunnen houden met haar eigen lichaam?

a)

ja, zij kan zelf fotosynthese doen

b)

nee, zij kan alleen verbranding doen

c)

ja, want zij kan zowel fotosynthese als verbranding doen

6.

De energie die wij krijgen als we plantaardig voedsel eten komt eigenlijk van ...

a)

het water

b)

de koolstofdioxide

c)

de zon

d)

het bladgroen

7.

De koolstofdioxide die wij maken als we energie verbruiken om te bewegen bijvoorbeeld komt van ...

a)

het water

b)

het suiker

c)

de zon

d)

het bladgroen

8.

Wat heeft een plant nodig voor fotosynthese? (meerdere antwoorden goed)

a)

Glucose

b)

Zuurstof

c)

Koolstofdioxide

d)

Water

e)

Zonlicht

9.

In welk celorganel vindt fotosynthese plaats?

a)

Mitochondriën

b)

Bladgroenkorrels

c)

Celkern

d)

Celwand

10.

Bekijk de afbeelding. Bij welke nummers kan fotosynthese plaatsvinden?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

11.

Welke stoffen nemen planten met hun wortels op? Meerdere antwoorden mogelijk.

a)

water

b)

mineralen

c)

zuurstof

d)

koolstofdioxide

e)

glucose

12.

Dit organisme heeft ...........

a)

Verbranding

b)

Fotosynthese

c)

Verbranding én fotosynthese

13.

Zetmeel van glucose maken noemen we...

a)

Onsimilatie

b)

Dissimilatie

c)

Assimilatie

d)

Stimulatie

14.
In jou zit(ten)...
a)
Organische EN anorganische stoffen
b)
Organische stoffen
c)
Anorganische stoffen
15.

Planten doen niet aan stofwisseling.

a)

juist

b)

onjuist

16.

Waar in een plantencel bevinden zich de bladgroenkorrels?

a)

in het cytoplasma

b)

in de celkern

c)

in de vacuole

d)

tegen de celwand aan

17.

Welke onderdelen kunnen voorkomen in een dierlijke cel?

a)

grote vacuole

b)

celwand

c)

celmembraan

d)

cytoplasma

e)

Celkern

18.

De micro-organismen in het verteringskanaal van een koe maken enzymen die cellulose uit het plantaardige voedsel afbreken.

Waarin bevindt zich vooral veel cellulose?

a)

in de bladgroenkorrels

b)

in de celmembraan

c)

in de celwand

d)

in het cytoplasma

19.

De celbouw van de verschillende soorten micro-organismen wordt met elkaar vergeleken.

Welke organismen hebben een celkern?

a)

alleen de algen en de bacteriën

b)

alleen de algen en de pantoffeldiertjes

c)

alleen de bacteriën en de pantoffeldiertjes

d)

zowel de algen, de bacteriën als de pantoffeldiertjes

20.

Blauwwieren zijn geen echte wieren. Het zijn eencellige organismen die wel een celwand hebben, maar geen celkern en geen bladgroenkorrels.


Tot welke groep behoren blauwwieren?

a)

tot de bacteriën

b)

tot de dieren

c)

tot de schimmels

21.

In een plant kan zowel verbranding als fotosynthese optreden.


Is voor verbranding koolstofdioxide nodig? En is voor fotosynthese koolstofdioxide nodig?

a)

voor geen van beide processen

b)

alleen voor fotosynthese

c)

alleen voor fotosynthese

d)

zowel voor fotosynthese als voor verbranding

22.

Welke energierijke stof maakt de plant door fotosynthese?

a)

Zuurstof

b)

Water

c)

Glucose

d)

Koolstofdioxide (CO2)

23.

Na inenting met een mazelenvaccin ontstaat immuniteit.


Naar aanleiding van deze inenting worden twee uitspraken gedaan.


Welke van deze uitspraken zijn juist?

a)

Het vaccin bevat dode of verzwakte ziekteverwekkers.

b)

Deze inenting heeft actieve immuniteit tot gevolg.

24.

Wanner vindt fotosynthese plaats?

a)

In het licht

b)

In het donker

c)

In het licht en donker

25.

Welke voedselketen klopt?

a)

havik --> muis --> eik

b)

eik --> eekhoorn --> bonte specht --> havik

c)

eik --> rups --> koolmees --> havik

d)

eik --> muis --> everzwijn --> havik

26.

Welk synoniem gebruiken we voor de schimmels en bacteriën in de bodem die het afval verwerken?

(a)  

27.

E4

Koolstofdioxide in een sparrenbos


Vlak boven de grond is de CO2-concentratie gemiddeld het grootst. Dit komt mede doordat organismen of delen van organismen in de bodem CO2 produceren. Organismen kunnen worden ingedeeld in drie groepen: consumenten, producenten en reducenten.


Tot welke van deze groepen behoren de organismen die in de bodem CO2 produceren?

a)

alleen reducenten

b)

alleen consumenten

c)

consumenten en reducenten

d)

producenten, consumenten en reducenten

e)

alleen producenten

28.

E5

Welke organismen zijn in staat om de stikstof uit nitraat op te nemen in organische verbindingen?

a)

alleen planten

b)

alleen dieren

c)

zowel planten als dieren

29.

E4

Bij welk proces komt CO2 en H2O vrij?

a)

assimilatie

b)

anaerobe dissimilatie

c)

aerobe dissimilatie

d)

alle genoemde processen

30.

Hoe noemen we de groene planten in een voedselketen?

a)

Consumenten

b)

Reducenten

c)

Producenten

d)

Afvaleters

31.

In deze voedselketen is het koolmeesje...

a)

een producent.

b)

een consument van de eerste orde.

c)

een consument van de tweede orde.

d)

een consument van de derde orde.

32.

Wat ontbreekt bij nummer 2?

a)

Consument

b)

Producent

c)

Reducent

d)

Afvaleters

33.

Antigenen zijn

a)

kleine moleculen bestemd voor de afbraak van schadelijke stoffen.

b)

kleine moleculen bestemd voor de bescherming van de eigen cellen.

c)

grote moleculen die gewoonlijk lichaamsvreemd zijn voor het organisme waar ze binnendringen.

d)

grote moleculen die cellen uit een organisme beschermen tegen schadelijke stoffen en/of organismen.

34.

Als je immuun bent voor een ziekte dan

a)

circuleren voortdurend antilichamen tegen die ziekte in je bloed

b)

kunnen bepaalde lymfocyten heel snel de juiste antilichamen maken

c)

is je niet-specifieke afweersysteem versterkt

d)

worden B-lymfocyten gestimuleerd om heel snel ziekteverwekkers te omsluiten en vernietigen

35.

Worden bij het tot stand komen van actieve immunisatie tegen een bepaalde ziekteverwekker geheugencellen gevormd? En bij passieve immunisatie?

a)

bij geen van beide

b)

alleen bij actieve immunisatie

c)

alleen bij passieve immunisatie

d)

bij beide

36.

Men heeft een zeer kleine hoeveelheid bacteriën geïsoleerd van een soort die bij koeien een bepaalde ziekte verwekt. De beschikbare bacteriën worden in enkele gezonde koeien geïnjecteerd. Hieronder zijn vier handelingen vermeld.

I Uit de geïnfecteerde koeien worden antistoffen tegen de bacterie geïsoleerd.

II Uit de geïnfecteerde koeien worden bacteriën geïsoleerd en kunstmatig verzwakt.

III Antistoffen tegen deze bacterie worden in de te immuniseren koeien geïnjecteerd.

IV Een geringe dosis van de verzwakte bacteriën wordt in de te immuniseren koeien geïnjecteerd.


Welke van de bovengenoemde handelingen moet men uitvoeren en in welke volgorde om een groot aantal koeien actief te immuniseren tegen deze ziekte?

a)

I, III

b)

II, IV

c)

I, III, II, IV

d)

II, IV, I, III

37.

Verkoudheid kan worden veroorzaakt door verschillende virussen. Wanneer iemand van een verkoudheid die door een virus is veroorzaakt, is genezen, kan hij vrij kort daarna opnieuw verkouden worden als gevolg van een virusinfectie. Hiervoor worden verschillende verklaringen geopperd.

I De antistoffen die tegen verkoudheidsvirussen worden gevormd, zijn slechts enkele uren in het lichaam werkzaam.

II De antistoffen die tegen het ene verkoudheidsvirus zijn gevormd, bieden geen bescherming tegen een ander verkoudheidsvirus.

III Na de eerste verkoudheid is de hoeveelheid antigenen in zijn lichaam toegenomen.

IV Er zijn alleen antistoffen tegen een verkoudheidsvirus in het lichaam aanwezig, zolang dat virus in het lichaam actief is.


Welke van deze verklaringen is juist?

a)

verklaring I

b)

verklaring II

c)

verklaring III

d)

verklaring IV

38.
Welke bloedcellen zijn onderdeel van het immuunsysteem?
a)
Witte bloedcellen
b)
Rode bloedcellen
c)
Bloedplaatjes
d)
Bloedplasma
39.
De cellen die buiten een bloedvat bacteriën kunnen bestrijden zijn
a)
rode bloedcellen
b)
witte bloedcellen
c)
bloedplaatjes
d)
bacteriën
40.

antibiotica is een medicijn tegen

a)

alle infectieziekten

b)

bacteriën en virussen

c)

bacteriën

d)

virussen

41.

Wat is de juiste naam van coronavirus dat momenteel de wereld veroverd?

a)

COVID-19

b)

COVID-16

c)

COVID-12

d)

COVID-21

42.

Waarom beschouwen we een virus niet als een levend organisme?

a)

Omdat virussen geen celkern hebben

b)

Omdat virussen niet opgebouwd zijn uit cellen

c)

Omdat virussen geen eigen stofwisseling hebben

d)

Omdat virussen voor de voortplanting andere organismen nodig hebben

43.

Welke van deze figuren kan geen virus zijn?

a)

Figuur 1

b)

Figuur 2

c)

Figuur 3

d)

Figuur 4

44.
Deze voedingstof is bouwstof en brandstof maar geen reservestof of beschermende stof.
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Water
45.
Welke voedingstof moet je verteren voor het opgenomen kan worden?
a)
Glucose
b)
Mineralen
c)
Water
d)
Zetmeel
46.
Enzymen zorgen ervoor dat.....
a)
De verteringsreactie wordt versneld
b)
De voedingstoffen door het verteringsstelsel worden geduwd
c)
Vet met water kan mengen
d)
Bacteriën worden gedood
47.
Dit doodt bacteriën. 
a)
Alvleessap
b)
Gal
c)
Maagzuur
d)
Darmsap
48.
Enzymen zijn stoffen die scheikundige processen versnellen
a)
niet waar
b)
waar
49.

De optimimumtemperatuur van enzym Z is 56 graden

a)

Juist

b)

Onjuist

50.

Wat is het verschil tussen gal en lipase?

a)

Niets, het doet precies hetzelfde

b)

Gal emulgeert vet (het maakt vetdruppels kleiner) maar kan ze niet afbreken. Lipase kan dit wel.

c)

Lipase emulgeert vet (het maakt vetdruppels kleiner) maar kan ze niet afbreken. Gal kan dit wel.

51.

Hoe heet het enzym dat cellulose verteert?

a)

Peptidase

b)

Maltase

c)

Glucose

d)

Cellulase

52.
Deze voedingstof is bouwstof en brandstof maar geen reservestof of beschermende stof.
a)
Eiwitten
b)
Koolhydraten
c)
Vetten
d)
Water
53.
De reactie behorend bij de fotosynthe is:
a)
CO2 + H2O + energie --> glucose + O2
b)
O2 + H2O + energie --> glucose + CO2
c)
glucose + O2 --> CO2 + H2O + energie
d)
CO2 + H2O + energie --> glucose + O2 + energie
54.

V

Het hormoon insuline is een eiwit. Indien iemand een tekot aan insuline heeft, kan dit tekort worden aangevuld door dit hormoon in te spuiten. De concentratie van insuline in het bloed kan niet worden verhoogd door dit hormoon via de mond in te nemen. De verklaring hiervoor is dat:

a)

insuline in het darmkanaal wordt verteerd

b)

insuline de werking van de lever beïnvloedt en niet die van het darmkanaal

c)

insuline, direct na opname in het bloed vanuit het darmkanaal, in de lever komt, waar het wordt afgebroken

d)

toename van de insulineconcentratie in de dunne darm de afgifte van insuline door de alvleesklier remt

55.

Welke van onderstaande beweringen over enzymen is juist?

a)

Een enzym wordt bij het deelnemen aan een reactie verbruikt

b)

Enzymen zijn voornamelijk opgebouwd uit koolhydraten

c)

Een enzym kan slechts 1 bepaalde reactie beïnvloeden

d)

De productie van enzymen in het lichaam is onafhankelijk van de door het lichaam opgenomen voedingsstoffen

56.
Vet is een anorganische stof
a)
Juist
b)
Onjuist
57.

Vet is een anorganische stof

a)

Juist

b)

Onjuist

58.

Planten gebruiken fosfaten voor het maken van organische verbindingen.

Voor het maken van welke organische verbindingen is fosfaat noodzakelijk als bouwstof?

a)

alleen aminozuren

b)

alleen chlorofyl

c)

alleen DNA

d)

alleen DNA en chlorofyl

e)

alleen aminozuren en DNA