wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

economie en maatschappij 1.4

Total questions: 20

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

De bijgevoegde afbeelding toont de marktaandelen van de verschillende aanbieders op de markt voor pakketbezorging. Welke marktvorm past bij deze situatie?

a)

Volledige mededinging

b)

Monopolistische concurrentie

c)

Oligopolie

d)

Monopolie

2.

Bij welke marktvorm is de kans op het ontstaan van een prijskartel het grootst?

a)

Volledige mededinging

b)

Monopolistische concurrentie

c)

Heterogeen oligopolie

d)

Homogeen oligopolie

3.

Twee beweringen over marktvormen:

I: Een monopolist is de enige aanbieder op een markt en kan daardoor een ongelimiteerd hoge prijs vragen.

II: Bij een volledige mededinging wordt er door aanbieders hevig geconcurreerd op verschillende productkenmerken.

Welke bewering(en) is/zijn juist?

a)

Beide beweringen zijn juist.

b)

Bewering I is juist, bewering II is onjuist.

c)

Bewering II is juist, bewering I is onjuist.

d)

Beide beweringen zijn onjuist.

4.

Vul aan: "Monopolistische concurrentie laat zich kenmerken door ..I.. aanbieders en ..II.. productie".

a)

I: veel, II: heterogene

b)

I: weinig, II: heterogene

c)

I: veel, II: homogene

d)

I: weinig, II: homogene

5.
Een monopolist kan onbeperkt de prijs aanpassen
a)
Onjuist
b)
Juist
c)
Nee, want hij moet rekening houden met de vragers
d)
Nee, want hij moet rekening houden met concurrenten
6.
Welke van de volgende markten is een monopolie?
   
a)
er zijn maar enkele bedrijven die een bepaald goed verkopen
b)
er is maar één bedrijf dat een bepaald goed verkoopt
c)
er zijn veel bedrijven en elk bedrijf verkoopt zijn eigen speciale product(en) dat net iets anders is dan die van de concurrent
d)
er zijn veel bedrijven die dezelfde goederen verkopen
7.
Welke van de volgende markten is de marktvorm monopolistische concurrentie?
   
a)
er zijn maar enkele bedrijven die een bepaald goed verkopen
b)
er is maar één bedrijf dat een bepaald goed verkoopt
c)
er zijn veel bedrijven en elk bedrijf verkoopt zijn eigen speciale product(en) dat net iets anders is dan die van de concurrent
d)
er zijn veel bedrijven die dezelfde goederen verkopen
8.
Welke van de volgende markten is een oligopolie?
   
a)
er zijn maar enkele bedrijven die een bepaald goed verkopen
b)
er is maar één bedrijf dat een bepaald goed verkoopt
c)
er zijn veel bedrijven en elk bedrijf verkoopt zijn eigen speciale product(en) dat net iets anders is dan die van de concurrent
d)
er zijn veel bedrijven die dezelfde goederen verkopen
9.

Een markt kent een groot aantal aanbieders en biedt varianten van een vergelijkbaar product aan. Van welke marktvorm is hier sprake?

a)

heterogeen oligopolie

b)

monopolie

c)

volledige mededinging

d)

monopolistische concurrentie

10.

Een markt kent een groot aantal aanbieders. Er wordt een standaard product aangeboden waarvan geen varianten bestaan. Van welke marktvorm is hier sprake?

a)

monopolie

b)

homogeen oligopolie

c)

volledige mededinging

d)

monopolistische concurrentie

11.

Wat is een kenmerk van een markt met volledige mededinging?

a)

Heterogeen product

b)

Veel aanbieders

c)

Weinig vragers

12.

De markt van restaurants is een voorbeeld van de marktvorm...

a)

volledige mededinging

b)

monopolie

c)

oligopolie

d)

monopolistische concurrentie

13.

wat is een positief extern effect van de komst van een luchthaven in jouw buurt

a)

meer toeristen, meer plezier

b)

veel geluidsoverlast

c)

extra tewerkstelling in de regio

d)

jouw woonplaats wordt populairder

14.

Jouw buurman draait luidde muziek in de tuin en jij hebt hier last van. Dit is een voorbeeld van...

a)

Een positief extern effect

b)

Een negatief extern effect

c)

Individueel belang

d)

Collectief belang

15.
Alec woont in een gebied waar weinig vliegtuigen overvliegen. Met de opening bij het vliegveld van Lelystad is het vrijwel zeker dat er meer gevlogen wordt boven Ommen. Van welke extern effect is hier sprake en wat zou de echte prijs van het vliegticket moeten zijn?
a)
Negatief extern effect, prijs vliegticket moet hoger
b)
Negatief extern effect, prijs vliegticket moet lager
c)
Positief extern effect, prijs vliegticket moet hoger
d)
Positief extern effect, prijs vliegticket moet lager
16.

Een "doe-het-zelf" winkel voert de actie 'Aanschaf tuinmeubel met 25% korting'. De korting geldt alleen voor een aankoop voor 9.30 uur op zaterdag 31 maart 2012; één per klant en de verkoop wordt op naam vastgelegd.


Dit is een voorbeeld van..

a)

Prijsdiscriminatie.

b)

Productdifferentiatie.

c)

Beide.

17.

Zie afbeelding voor de prijslijst van een theaterconcert in Orpheus. Jongeren in het bezit van een CJP kaart hebben recht op 10% korting op de aanschafprijs van een ticket. Bij dit theaterconcert is er sprake van...

a)

prijsdiscriminatie.

b)

productdifferentiatie.

c)

zowel prijsdiscriminatie als productdifferentiatie.

18.
De ov studentenjaarkaart is een voorbeeld van
a)
Prijsdifferentiatie
b)
prijsdumping
c)
prijsbinding
d)
prijsdiscriminatie
19.
Het aanpassen van de verpakking van mijn product is een voorbeeld van:
a)
Productdifferentiatie
b)
Productinnovatie
20.
als een aanbieder een homogeen product aanbiedt voor verschillende prijzen is er sprake van....
a)
prijsdiscriminatie
b)
prijsdifferentiatie