wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Modale werkwoorden

Total questions: 30

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Nederlands: können

(a)  

2.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Nederlands: wollen

(a)  

3.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Nederlands:

sollen

(a)  

4.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Nederlands: müssen

(a)  

5.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Duits: zou graag willen

(a)  

6.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Duits:

houden van, lusten

(a)  

7.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Duits:

weten

(a)  

8.

Vertaal het volgende werkwoord naar het Duits:

mogen, toestemming hebben

(a)  

9.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Ich (a)   Tomatensuppe und Salat. (mögen)

10.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Wir (a)   jetzt nach Hause fahren. (möchten)

11.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

(a)   du was für Hausaufgaben wir für Morgen haben? (wissen)

12.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Wir (a)   sofort gehen! Sonnst kommen wir zu spät. (sollen)

13.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

(a)   ihr mit fahren? (wollen)

14.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Das Kind (a)   mit schwimmen gehen. ( möchten)

15.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Der Junge (a)   nicht auf die Toilette gehen. (dürfen)

16.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Meine Eltern (a)   Morgen nicht zur Schule kommen. (können)

17.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Frau Müller, (a)   Sie sich hier hinsetzen? (möchten)

18.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

(a)   ich dieses Wochenende meinen Zimmer aufräumen? (sollen)

19.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Meine Geschwister (a)   nicht wann ich Geburtstag habe. (wissen)

20.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Herr Müller, (a)   ich meine Hausaufgabe auch später machen? (dürfen)

21.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Meine Schwester (a)   es nicht sich zu streiten (ruziën). (mögen)

22.

Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Der Lehrer fragt: (a)   ihr jetzt anfangen? (wollen)

23.

Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Ich (a)   dieses Wochenende nach Holland fahren (zou graag willen)

24.

Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Wir (a)   da sofort mit aufhören! (moeten, bevel)

25.

Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

(a)   sie nichts essen? (willen)

26.

Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Meine Eltern meinen, wir (a)   noch nichts über das Leben. (weten)

27.

Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Meine Freundin (a)   unbedingt ins Krankenhaus! (moeten, noodzaak)

28.

Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Meine Gruppe und ich (a)   es viel zu unternehmen. (houden van, lusten)

29.

Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Frau Jansen, (a)   Sie sich Morgen bitte melden? (kunnen, in staat zijn tot)

30.

Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:

Du (a)   endlich mit in die Turkei fliegen! (mogen, toestemming hebben)