Font size
WorksheetsModale werkwoorden
Total questions: 30
Worksheet time: 30mins
Vertaal het volgende werkwoord naar het Nederlands: können
(a)
Vertaal het volgende werkwoord naar het Nederlands: wollen
(a)
Vertaal het volgende werkwoord naar het Nederlands:
sollen
(a)
Vertaal het volgende werkwoord naar het Nederlands: müssen
(a)
Vertaal het volgende werkwoord naar het Duits: zou graag willen
(a)
Vertaal het volgende werkwoord naar het Duits:
houden van, lusten
(a)
Vertaal het volgende werkwoord naar het Duits:
weten
(a)
Vertaal het volgende werkwoord naar het Duits:
mogen, toestemming hebben
(a)
Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Ich (a) Tomatensuppe und Salat. (mögen)
Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Wir (a) jetzt nach Hause fahren. (möchten)
Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
(a) du was für Hausaufgaben wir für Morgen haben? (wissen)
Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Wir (a) sofort gehen! Sonnst kommen wir zu spät. (sollen)
Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
(a) ihr mit fahren? (wollen)
Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Das Kind (a) mit schwimmen gehen. ( möchten)
Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Der Junge (a) nicht auf die Toilette gehen. (dürfen)
Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Meine Eltern (a) Morgen nicht zur Schule kommen. (können)
Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Frau Müller, (a) Sie sich hier hinsetzen? (möchten)
Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
(a) ich dieses Wochenende meinen Zimmer aufräumen? (sollen)
Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Meine Geschwister (a) nicht wann ich Geburtstag habe. (wissen)
Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Herr Müller, (a) ich meine Hausaufgabe auch später machen? (dürfen)
Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Meine Schwester (a) es nicht sich zu streiten (ruziën). (mögen)
Vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Der Lehrer fragt: (a) ihr jetzt anfangen? (wollen)
Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Ich (a) dieses Wochenende nach Holland fahren (zou graag willen)
Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Wir (a) da sofort mit aufhören! (moeten, bevel)
Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
(a) sie nichts essen? (willen)
Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Meine Eltern meinen, wir (a) noch nichts über das Leben. (weten)
Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Meine Freundin (a) unbedingt ins Krankenhaus! (moeten, noodzaak)
Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Meine Gruppe und ich (a) es viel zu unternehmen. (houden van, lusten)
Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Frau Jansen, (a) Sie sich Morgen bitte melden? (kunnen, in staat zijn tot)
Vertaal en vervoeg het werkwoord in de juiste vorm:
Du (a) endlich mit in die Turkei fliegen! (mogen, toestemming hebben)
